Ana səhifə

Warum können die Ossis nicht vom Affen abstammen ?


Yüklə 0.85 Mb.
səhifə1/11
tarix13.06.2016
ölçüsü0.85 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11

Warum können die Ossis nicht vom Affen abstammen ? 


Weil es Affen nie 40 Jahre lang ohne Bananen ausgehalten hätten...

Was ist der Unterschied zwischen einem Sachsen und einem Türken? Der Türke spricht deutsch und hat Arbeit!


Was ist der Unterschied zwischen Gott und einem Wessi? 


Gott weiß alles, Wessi weiß alles besser.

Was ist die Lieblingssportart eines Ossis?


Bobfahren - links ‘ne Mauer, rechts ‘ne Mauer und es geht immer bergab.

Ossis tot de Wessis: "Wir sind ein Volk" 


Antwoorden de Wessis: "Wir auch!"


Voorwoord
Toen Otto von Bismarck de eerste steen van het eengemaakte Duitsland legde, had hij geen flauw benul dat hij aan het begin stond van een fascinerend verhaal. De leiders van het land zouden zijn krachtige parool ‘mit Blut und Eisen’ zeer agressief in de praktijk omzetten. Na een Eerste Wereldoorlog veroorzaakt te hebben, zorgde Adolf Hitler voor de zwartste bladzijde in de Duitse, maar ook in de wereldgeschiedenis. Als resultaat daarvan werd Duitsland opgedeeld in een westerse BRD en een Sovjet-Russische DDR. Bismarck draaide zich om in zijn graf. Ook na de hereniging in 1990 blijft Duitsland een fascinerend land. Oost-Duitsers kijken nostalgisch terug op de eens verfoeide DDR. En onlangs nog, op het Eurovisiesongfestival 2008, was Duitsland laatste, de loef afgestoken door winnaar Rusland.
Pas na vier jaar studie kan ik deze fascinatie verbinden met mijn voorliefde voor een hedendaagse geschiedenis in de meest letterlijke zin van het woord: als een geschiedenis van het heden, ‘Zeitgeschichte’ in het Duits. Ik ben mateloos gedreven om de actualiteit te verklaren door de lijnen met het verleden te duiden, om de dagdagelijkse feiten in hun historische context te plaatsen.
‘Mit Blut und Eisen’ was het dat ik de twee voorliefdes in een masterproef over het Duitsland van vandaag en gisteren heb gegoten. Een volwaardig masteronderzoek afronden in enkele maanden was een enorme uitdaging en vereiste een berg werk (dat ik alles in het Duits moest lezen, heeft het nog wat verzwaard). Ik heb velen rond me zien sneuvelen. De ambitie heeft me uiteindelijk over de streep getrokken.
Dat is niet enkel mijn verdienste. Deze masterproef is een groepswerk en ik ben slechts de ‘ghostwriter’. Graag bedank ik enkele mensen die aan mijn zijde stonden en waarmee ik – om wat in de sfeer van Duitsland te komen – met vertrouwen ‘naar een oorlog zou gaan’.
Allereerst dank ik Bismarck, Hitler en Honecker. Zonder hen was er geen crimineel interessante geschiedenis, laat staan dit onderzoeksthema.
Hetzelfde geldt voor mijn promotor Prof. Dr. Georgi Verbeeck, Groot-Nederlander van beroep en historicus in de vrije uurtjes. Ik dank voor het thema, de interesse, de flexibiliteit en de eenduidigheid. Dankzij de verschillende overlegmomenten had ik lang voor ik het schrijfproces aanvatte een duidelijk beeld voor ogen.
Een pakje erkentelijkheid laat ik ook overvliegen naar de andere kant van West-Europa. In Berlijn mocht ik de Duitse historicus en journalist Dr. Winfried Dolderer interviewen over de herenigingskwestie. Vier uur lang heeft hij mij als een enthousiaste spraakwaterval te woord gestaan in een literair café waarvan de setting – voor een historicus althans – niet te overtreffen valt. Het café kijkt uit op de Brandenburger Tor, ligt aan het plein met de ambassades van Frankrijk, Amerika en – wat verder – Groot-Brittannië en heeft de Reichstag als achterbuur. Dat mijn paper op die plaats werd geboren is uiteraard een droom in vervulling.
Mijn dank gaat ook uit naar Michel Devriendt, nog zo iemand die van zijn gekte voor Duitsland zijn beroep heeft gemaakt. En ooit opgepakt door de Stasi… dat treft. Zijn expertise als voormalig onderwijzer in de Duitse taal is goed van pas gekomen. Op zijn eentje heeft hij mijn Nederlandse samenvatting naar een Duitse ‘Zusammenfassung’ omgezet. Een kleine daad, maar een wereld van verschil.
Wat dichter bij huis (er in zelfs) stel ik met ontroering vast hoe mijn ouders al vier jaar lang achter mij staan. Hoewel een melig zicht, betekende dit een enorm houvast. Actief boden ze steun door me op het traditionele paniekmoment, zondag rond het avondeten, gerust te stellen en te zorgen dat de praktische gang van zaken gesmeerd liep (lees: bevoorraden van Cécémel, maaltijden en financiën). Mijn vader hielp me via richtlijnen en feedback. Als iemand die de universitaire wereld door en door kent, was hij een meer dan volwaardige overlegpersoon. Een geluk dat mijn pa geen steenkapper is, heb ik meermaals gedacht. Passief was hun hulp bij het aanhoren van mijn oervervelende monologen. Ze ontvluchtten me meermaals, door zo diep mogelijk in de tuin te werken of zo lang mogelijk te gaan lopen. Maar met resultaat. De tuin ligt er proper bij en de oudertjes zijn perfect getraind voor hun marathon van Athene.
Niet te vergeten is het personeel van de dienst Interbibliothecair Leenverkeer in de Centrale Bibliotheek van de KU Leuven. Ik ken hun graag de award voor meest behulpzame dienst toe.
Door alle frustraties heen vond ik een enorme steun bij enkele medestudenten. Vermeld ik met dankbaarheid: Anneleen Arnout, Dorien Vanderputten, Bert Desmet en Thomas Devriendt. Al diegenen die peilden ‘hoe zit het met de thesis’, dank ik – hoewel de vraag me de oren uit kwam - voor de interesse. Tenslotte dank ik nog Celestine Vanneste om haar komische zelf te zijn en me af te leiden van al die nostalgische Oost-Duitsers.

Korneel De Rynck



Kortrijk/Leuven, mei 2008

Inhoudstafel


Inleiding
Een geschiedenis van het heden

Stand van onderzoek

Mijn theorie

Opbouw van mijn theorie

Pag. 7
Pag. 8

Pag. 10

Pag. 12

Pag. 13


Identiteit’: theorie en operationalisering



Pag. 15

HOOFDSTUK 1. Ostidentität en nostalgiepotentie in de DDR-periode (1949-1990)
1.1. De mislukte DDR-identiteit


      1. Identiteitscreatie van bovenaf

      2. Een mislukt project?


1.2. Het ontstaan van een Ostidentität in de DDR


      1. Algemene impact van de staat op de identiteit


Psychologische ‘terrorisatie’

Interdependentie staat-burger

Actieve invulling van het leven


      1. Specifieke impact van de staat op de identiteit


Het socialistisch paternalisme

Het ideaal van gelijkheid

De werkgelegenheid en het arbeidsethos

De sociale functie van de economie

De sociale cohesie in de samenleving


      1. De ‘West’-factor in de identiteit




      1. De alomtegenwoordigheid van de staat




      1. Conclusie




Pag. 18

Pag. 18
Pag. 18

Pag. 23
Pag. 25
Pag. 26
Pag. 26

Pag. 27

Pag. 28
Pag. 29
Pag. 29

Pag. 30

Pag. 32

Pag. 32

Pag. 32
Pag. 33
Pag. 35
Pag. 36

HOOFDSTUK 2. Persistentie, manifestatie en nostalgische dimensie van de Ostidentität (1990- )
Deel 1. Euforie en kortzichtigheid in 1990
Deel 2. De verenigings- en transformatieproblematiek
Inleidend
2.1. Het debat tussen identiteitsgroepen
2.2. De transformatieproblematiek
2.2.1. Relatieve deprivatie
Materieel-economische ongelijkheid

Bestuurlijk-institutionele ongelijkheid

Conclusie
2.2.2. Breuk en verlies
De verstoring van de sociale sfeer en het gelijkheidsethos

De teloorgang van verzorging en ‘Normsicherheit’

Werkloosheid en de psychologische gevolgen

De ontwaarding van competenties en kwalificaties

Demografische ontwrichting

Algemene desoriëntatie

Conclusie
2.2.3. Demoniserend DDR-discours
Veroordeling en denigratie

Protest tegen biografische ontwaarding
Deel 3. Reactie en compensatie: gemanifesteerde Ostidentität en Ostalgie
3.1. Persistentie en manifestatie van de Ostidentität
3.2. De nostalgische dimensie van de Ostidentität


Pag. 38

Pag. 38
Pag. 43
Pag. 43
Pag. 43
Pag. 44

Pag. 45
Pag. 45

Pag. 51

Pag. 52
Pag. 53
Pag. 53

Pag. 55

Pag. 56

Pag. 58

Pag. 59

Pag. 62

Pag. 62
Pag. 64
Pag. 64

Pag. 66
Pag. 69

Pag. 70
Pag. 76


Algemeen besluit

Pag. 90


LIJST VAN FIGUREN


Figuur 1: Werkloosheidcijfers

Pag. 47

Figuur 2: Werkloosheidcijfers

Pag. 48

Figuur 3: Huishoudsinkomen

Pag. 50

Figuur 4: Bruttolonen

Pag. 50

Figuur 5: Vooruitzicht op economische gelijkheid

Pag. 50

Figuur 6: Persoonlijke tevredenheid met hereniging

Pag. 51

Figuur 7: Gevoel van tweedeklasse

Pag. 52

Figuur 8: Migratie uit Oost-Duitsland

Pag. 60

Figuur 9: Migratie uit Oost-Duitsland

Pag. 60

Figuur 10: Ontwikkeling geboorten 1946-2006

Pag. 60

Figuur 11: Gemiddeld aantal geboorten per 1000 vrouwen volgens leeftijd

Pag. 61

Figuur 12: Algemene geboortecijfer 1952-2006

Pag. 61

Figuur 13: Inschatting van socialisme als idee

Pag. 72

Figuur 14: Moderne houding tegenover positie van de vrouw

Pag. 73

Figuur 15: Inschatting van socialisme als idee 1991-2005

Pag. 74

Figuur 16: Inschatting van de hereniging

Pag. 77

Figuur 17: Inschatting van de hereniging

Pag. 78

Figuur 18: Vegelijking DDR-Bondsrepubliek

Pag. 80

Figuur 19: Vegelijking DDR-Bondsrepubliek

Pag. 80

Figuur 20: Vegelijking DDR-Bondsrepubliek

Pag. 81

Figuur 21: Vegelijking DDR-Bondsrepubliek

Pag. 81

Figuur 22: Trots op het leven in de DDR

Pag. 83

Figuur 23: Aankoop Ost-producten

Pag. 84



Inleiding
Na meer dan veertig jaar tweedeling in (en door) de gespannen internationale context van de Koude Oorlog slorpte de BRD op 3 oktober 1990 de geïmplodeerde DDR-staat op. Duitsland was herenigd: de euforie was groot, de hoop en de beloftes navenant. De Tag der deutschen Einheit zou een nieuw begin inluiden in de Duitse geschiedenis en maakte een einde aan de Sonderweg die sinds de vroege 20e eeuw als een zwaard van Damocles boven de Duitsers hing. ‘Deutschland einig Vaterland!’…‘Wir sind ein Volk!’, riep de bevolking te Berlijn. Rainer Eppelmann herinnert zich: ‘We lagen in elkaars armen en het maakte niet uit of men elkaar kende (…). We waren verheugd. En in die nacht dachten we: zo zal het altijd zijn, we zullen altijd in elkaars armen liggen.’ 1 Voormalig West-Duits bondskanselier Willy Brandt profeteerde de veel geciteerde woorden: ‘Nun wächst zusammen, was zusammengehört.’ En Helmut Kohl, de vader van de Duitse eenheid, beloofde blühende Landschaften in het oostgedeelte van het land. Er begon een groots opgevat politiek-institutioneel, economisch-financieel en sociocultureel transformatieproces zonder weerga in Oost-Duitsland.
Maar luttele maanden na de euforie reeds zette zich een ontnuchtering en ontgoocheling in. Kohls woorden waren allesbehalve werkelijkheid geworden: de Oost-Duitse economie stortte in elkaar, met een massale werkloosheid als voornaamste gevolg. Brandt leek de mentale vereniging van het West-Duitse en voormalige DDR-volk meer gehoopt dan voorspeld te hebben. De formele vereniging van Duitsland was dan een onomkeerbaar feit, de innere Einheit was dat duidelijk nog lang niet. Metaforisch sprak men over het voortbestaan van de muur, maar dan in den Kopfen. Waarnemers stelden verschillen vast in mentaliteit en persoonlijkheid, waarden en normen, politieke preferenties en ideeën, verwachtingen van de staat en sociaal gedrag, … Het ene volk denigreerde het andere met verwijtende stereotypes (‘Jammer-Ossi’ versus ‘Besser-Wessi’). In dat interregionale spanningsveld ontwaardde men de contouren van een specifieke Ostidentität, een Wir-Bewusstsein onder de Oost-Duitse bevolking. De SED-Nachfolgerpartei, de PDS (Partei des Demokratischen Sozialismus) van Gregor Gysi, leek daar op in te spelen en klonk een niet onbelangrijke electorale minderheid aan zich vast.
Een ander fenomeen, ogenschijnlijk een obstakel voor de innere Einheit, dook op: een nostalgie naar het dagelijkse leven, naar waarden en verworvenheden van de DDR-periode, wat de populaire benaming Ostalgie (een contaminatie van ‘Ost-‘ en ‘nostalgie’) kreeg. Die Sehnsucht manifesteerde zich in verschillende vormen. Eerst verschenen de typische Ostproducten terug op de markt, na zo goed als verdwenen te zijn in 1990, met groot commercieel succes. Een aantal DDR-relicten kregen een gecultiveerde status: om het behoud van de Ampelmännchen (‘verkeerslichtenventjes’) was er een politiek getouwtrek en men zag weer Trabant-autootjes voorbij snorren. In de zomer van 2003 volgde een Ostalgiewelle: de kaskrakerfilm ‘Good Bye, Lenin!’ lokte op alle belangrijke televisiezenders shows uit die in het teken stonden van het dagelijkse leven in DDR-tijd. In Berlijn kwam er, verborgen achter de monumentale Dom, een klein DDR-museum. Het lijkt wel symbolisch: achter de schermen van het verenigde Duitsland steekt een nostalgie die men pas ontdekt als men het wil ontdekken.
Het contrast tussen de aanvankelijke euforie en de ontnuchtering erna is een cliché geworden, meent Wolfgang Thierse: ‘Es ist ja fast schon ein Klischee geworden, unser heutiges Befinden und die Euphorie des Herbstes von 1989 einander entgegenzusetzen. Damals die Euphorie, der Aufbruch, die Poesie des Anfangs und heute die üble Laune, die Hilflosigkeit und zunehmende Aggressivität, die Prosa des Alltags’. 2 Ik ontmoette dit ‘cliché’ en was op slag gefascineerd door het mysterie errond. Als Plato de verwondering het begin van alle filosofie noemt, dan vervulde het voor mij een gelijkaardige functie, maar dan binnen de geschiedwetenschap. Waarom schuilt er aan de oevers van de Spree een museum over de DDR en niet over de hereniging? Waarom consumeert men terug producten uit de DDR, terwijl men die zowel tijdens de DDR-periode als in 1990 massaal liet vallen voor de geromantiseerde westerse goederen? Waarom organiseert men fuiven, televisieshows en evenementen rond een periode die zich niet leek te lenen voor licht entertainment? Ik wil het tot cliché verheven contrast tussen de ‘Poesie des Anfangs’ en de ‘Prosa des Alltags’ zo klein mogelijk maken door de logica erachter uit de doeken te doen. Ostidentität en Ostalgie beschouw ik daarbij als twee verweven fenomenen, respectievelijk het ‘geheel’ en een ‘deeldimensie’ binnen dat geheel. 3 Een ontleding van Ostidentität kan niet voorbij de nostalgie, omdat dit een centraal facet is van die identiteit. De nostalgie, in se een identiteitsfenomeen, kan slechts verklaard worden door na te gaan waarom er een Ostidentität is gegroeid en welke plaats zij daarin bekleedt. Dit uitgangspunt bepaalt de richting van mijn analyse. De centrale onderzoeksvraag van mijn studie wordt dan: hoe vallen de Ostidentität en de nostalgie te verklaren in hun genese, voortbestaan en kenmerken?
Een geschiedenis van het heden

Het proces is nog lang niet voltooid. Integendeel, het lijkt in volle ontwikkeling. In november 2007 stond op het Engelstalige deel van de Der Spiegel-site te lezen: ‘Germany still divided 18 years after the fall of the wall’. In dezelfde maand stelde men in een bespreking van een DDR-museum vast: ‘Ostalgie boomt’. Een geschiedwetenschappelijk onderzoek naar een dergelijk actueel fenomeen heeft één grote beperking. De distantie tot het onderwerp, nodig om kritisch te kunnen inschatten, is miniem. Wat je beschrijft, kun je tegelijkertijd beleven. Omdat alles nog in beweging is, kun je slechts een snapshot bieden. En toch is het deze history of the present, of Zeitgeschichte, die mijn voorkeur wegdraagt. Het balanceren op het slappe koord tussen verleden en heden beschouw ik als het fascinerende summum van geschiedschrijving. Het heeft het meest maatschappelijke nut en biedt de hoogste persoonlijke voldoening wanneer je als historicus actuele gebeurtenissen kunt situeren. Je traceert de lijnen van het heden in het verleden. Je verklaart door de feiten een historische context te geven. Het leidt tot inzichten die de toekomst dienstig kunnen zijn. De belangrijkste taak van een historicus ligt, in mijn ogen, op het terrein van de actualiteit. Het is die overtuiging die me tot dit onderzoek heeft gebracht. 4 Zo groots als ik het hier proclameer, kan ik het niet praktiseren. De tijd en expertise ontbreken. Mijn onderzoek is een bescheiden poging om ‘Zeitgeschichte’ te bedrijven. Het is een hypothetische momentopname van de actuele Ostidentität en nostalgie.


Om deze studie te verrijken heb ik in februari 2008 een zeer beperkt veldwerk uitgevoerd te Berlijn, ‘the place to be’ in het kader van mijn thema, maar uiteraard tevens het hart van de hele Duitse geschiedenis. Ik had het genoegen Dr. Winfried Dolderer te interviewen, een Duitse historicus en journalist die perfect Nederlands spreekt. Hij was enkele jaren correspondent van De Standaard en is nu werkzaam bij de krant Westfalenpost. Zo hoorde ik het herenigingsverhaal vanuit een persoonlijk standpunt. Het interview heb ik gebruikt als aanvulling bij mijn literatuuronderzoek. Daarnaast bezocht ik het DDR Museum, gelegen in de Karl-Liebknecht-Strasse tegenover de Berliner Dom. Ook deze ervaring geef ik een plaats in dit verhaal.
De tijd ontbrak voor een uitgebreid onderzoek van ‘bronnen’ als enquêtes, interviews, statistieken, kranten,… Vandaar dat ik me hoofdzakelijk heb toegelegd op een literatuuronderzoek, aangevuld met wat bronnenmateriaal. De frappante afwezigheid in de Belgische bibliotheken van publicaties over Ostalgie, Ostidentität of zelfs over de transformatieproblematiek noopte me tot interbibliothecair leenverkeer met Nederlandse en Duitse bibliotheken. Werken over het thema die wel voor handen waren in eigen land, werden voor een belangrijk deel doorgenomen. 5 Naast volledige publicaties, hoofdstukken uit boeken en bundels, en artikels uit een aantal tijdschriften, nam ik consequent de vijftien laatste jaargangen (1992-2007) door van drie tijdschriften die dikwijls over de kwestie uitweiden en waar het meest wordt naar gerefereerd: Deutschland Archiv: Zeitschrift für das vereinigte Deutschland, Aus Politik und Zeitgeschichte en (het niet-academische) Der Spiegel. Ze konden ingezien worden in de bibliotheekarchieven van de KU Leuven. 6 Dit leverde me een pak perspectieven van een groot aantal auteurs op. Ik beperkte me niet tot pure geschiedschrijving, maar las ook politieke opiniestukken, economische uitweidingen, enquêtes, evolutiegrafieken- en tabellen, psychologische analysen, populistische artikels, etcetera. De belangrijkste specialisten komen aan bod, al dan niet met expliciete vermelding. Deze bonte verzameling gaf me inzicht over alle onderwerpen die in het licht van mijn onderzoeksvraag belangrijk konden zijn: de positieve en negatieve zijden van het DDR-regime, de hereniging van 1990, de transformatieproblematiek van 1990 tot de dag van vandaag, de Ostidentität, de nostalgie naar de DDR, de innere Einheit, de verwerking van het DDR-verleden, het DDR-discours, … Het gaat over politiek, economie en cultuur. De publicaties en artikels waren hoofdzakelijk in de Duitse taal, in mindere mate in het Engels en voor een verwaarloosbaar deel in het Nederlands. Ik verwerkte ze door selectie, samenvatting en vertaling tot een bundel die op het einde van dit verwerkingsproces 400 getypte pagina’s omvatte. In die verzameling waren alle voor mij essentiële gegevens opgenomen, samen met bruikbare citaten (ofwel zelf vertaald naar het Nederlands ofwel behouden in het Duits) en nuttig cijfermateriaal.
Stand van onderzoek

Hoe komt de literatuur tegemoet aan mijn onderzoek naar de verklaring van Ostidentität en haar nostalgische dimensie? Er zijn twee grote hypothesen te ontwaren in het verklaringsdebat: de ‘situatiehypothese’ en de ‘socialisatiehypothese’. 7 De situatiehypothese (of ‘Erfahrungshypothese’) stelt dat de Ostidentität na 1990 is ontstaan als een reactie op de ervaring van politieke, economische en socioculturele transformatieproblemen. De ontevredenheid en reactie daarop leidde tot een ‘verspätete Ostidentität’ die er nooit (in die mate) is geweest tijdens de DDR. Auteurs als Gaumann, Hepp, Hofmann, Pickel en Pollack lijken die stelling te kiezen. Onderzoekers als Jesse, Veen en Schröder menen dat de politieke socialisatie in de DDR mislukte omdat West-Duitsland steeds de referentie bleef. Het bewijs dat er geen identiteit bestond in de DDR is de omverwerping ervan in de vredevolle revolutie van 1989. 8 In het Sozialreport van 2004, uitgegeven door Gunnar Winkler, heet het dat er een Ostidentität is ontstaan ‘die ihre Wurzeln nicht vorrangig in der gemeinsamen Vergangenheit, sondern in der aktuellen Gleichartigkeit der Lebensverhältnisse in den neuen Bundesländern hat.’ 9 Cooke, Boterman en vele anderen laten zich dergelijke opinies eveneens ontvallen. 10


Ook Winfried Dolderer kiest duidelijk deze kant. Door de West-fixering heeft er zich geen Ostidentität ontwikkeld voor 1990, meent hij. ‘Tijdens de DDR voelde men zich vooral Duits en was men gericht op West-Duitsland.’ Het idealistische beeld van West-Duitsland sloeg na de vereniging vlug om in ontnuchtering. Men merkte dat de West-Duitsers niet zo geïnteresseerd waren in het oosten dan omgekeerd het geval was, terwijl de materiële welvaart zoals zij die wilden uitbleef. Het is deze ‘ontgoochelde liefde’ die de Ostidentität en de nostalgie in zijn opinie verklaart. ‘De Oost-Duitse identiteit is een kunstmatig maaksel na de verdwijning van de DDR. Oost-Duitsers zijn ze zich beginnen te voelen toen de DDR verdween. Ze ontdekten dat ze geen gelijken waren. Ze voelden zich minderwaardig’. Dolderer beschouwt de kwestie vooral vanuit een persoonlijk West-Duits perspectief met nadruk op de rol van de economie. 11
De socialisatiehypothese daartegenover ziet de Ostidentität als een uitloper van de socialisatie in de DDR, bijvoorbeeld Greiffenhagen, Kaase, Bauer-Kaase, Fuchs. 12

Verschillende auteurs verkiezen een combinatie van beide hypothesen. Gensicke pleitte in 1998 voor een ‘situatief-socialisatorische verklaringslijn’. 13 Grix en Cooke menen: het is de verwevenheid tussen de periode voor en die na 1990 die heeft geleid tot een politieke en culturele identiteit in Oost-Duitsland. 14 Ook anderen zijn van die mening: Fritze, Hofmann, Hough, Jacobs, Reißig, Misselwitz. Kollmorgen meent in 2005 dan weer dat de Ostidentität teruggaat op een Vor-Wende-DDR-Identität. Westle schrijft dat er in de DDR een politiek en sociaal bewustzijn is ontstaan, wat uitliep in een na 1990 versterkte Ostidentität. 15 In hun artikel stellen Kai Arzheimer en Markus Klein dat de onderscheiden in maatschappelijke waarden en oriënteringen niet enkel door de nadelige economische en sociale situatie na 1990 kunnen worden verklaard. 16


De gangbare kritiek op de situatiehypothese is dat het teveel uitgaat van een tabula rasa tijdens de Wende. 1989 verschijnt dan als een Stunde Null. De socialisatiehypothese wordt bekritiseerd met het argument dat het de betekenis van de ervaringen in het transformatieproces zou onderschatten. 17 Een aantal kritiekpunten kunnen hieraan toegevoegd worden. De situatiehypothese is in mijn opinie te weinig genuanceerd. Identiteitstheorieën schetsen identiteit steevast als een fenomeen dat zich op lange termijn vormt. Uit deze consensus valt af te leiden dat er zich in de enkele jaren na 1990 onmogelijk een ‘nieuwe’ identiteit kon vormen, hoe sterk de problemen ook inwerkten op de mentaliteiten van de Oost-Duitsers. De periode was te kort (identiteitsvorming is een langzaam proces) en het type identiteit (onmiskenbaar socialistisch van inslag) strookte niet met de politieke, sociale, economische en culturele context (democratie, liberale markteconomie, westerse cultuur, concurrentie en individualisme) die normaliter altijd een sterke invloed uitoefent op identiteitsvorming. Qua uitwerking bieden de aanhangers van de situatiepiste gebrekkige argumentatie. De ene beklemtoont economische problemen (werkloosheid, materiële ongelijkheid), de andere subjectieve ervaringen van verlies. De situatieproblemen spelen volgens mij samen mee. Enkel een analyse die alle aspecten integreert, kan legitiem verklaren. Een andere lacune bestaat erin dat men de link tussen de problemen en het ‘ontstaan’ van een identiteitsvorm niet verklaart.
De socialisatiehypothese schiet naar mijn aanvoelen dan weer te kort om het sterke doorleven in een totaal nieuwe maatschappij van de ‘oude’ Ostidentität te verklaren, laat staan dat het doet inzien waarom er nostalgie verscheen. Bovendien wordt ook de socialisatie nauwelijks onderbouwd. Het blijft bij vage uitspraken en een aanzet tot, maar een echte analyse volgt niet.
Vele onderzoekers neigen ernaar een of-of-keuze te maken. Ik ben van mening dat de socialisatie- en situatiehypothese gecombineerd moeten worden ter verklaring van de Ostidentität en haar nostalgiedimensie. Zoals gezien, hebben enkele auteurs daar reeds voor gepleit. Maar verder dan de suggestie kwam men nauwelijks. Waarom en hoe is er een samenspel tussen socialisatie en situatie? Wat betekende die socialisatie in de DDR concreet, of: welke identiteit ontstond er? Welke evolutie onderging die identiteit in en door de situatieproblematiek? Hoe kwam het zo tot nostalgie? Dit zijn vragen die nog niet gesteld, laat staan beantwoord zijn, hoewel ze zeer vanzelfsprekend lijken. Een poging om een intellectuele verbinding tot stand te brengen tussen beide hypothesen, de integratie ervan in een verklaringsmodel dat volledigheid claimt, is tot nu toe afwezig.
Mijn theorie

Dit hiaat wil ik compenseren met een hypothetische theorie zoals ik die heb ‘gededuceerd’ uit mijn literatuuronderzoek. Ik verklaar de Ostidentität en de nostalgie vanuit de dialectiek tussen de langer werkende socialisatie van voor 1990 met de situatieve problematiek na de hereniging. Mijn concrete these is de volgende. Doorheen de socialisatie in de DDR-samenleving is er een Ostidentität gegroeid. Die definieer ik als een complex van waarden, normen, eigenschappen, gewoontes, verwachtingen, identificaties, etcetera die in een lang proces doorheen alle levensfasen en onder invloed van externe actoren is opgebouwd. De Ostidentität werd na 1990 gecontesteerd door de vereniging van twee cultuurgroepen en de specifieke transformatieproblemen. De Oost-Duitsers ervaarden achterstelling, verlies, breuk, degradatie en devaluatie. Als reactie hiertegen was er niet enkel een persistentie, maar bovenal een verscherping van de Ostidentität. Zij kreeg ook een nieuwe dimensie toen de nostalgie intrad, een weemoedige terugblik op waarden, verworvenheden en het dagelijkse leven in/van de DDR. De situatiehypothese en de socialisatiehypothese ‘an sich’ spreek ik dus tegen door te stellen dat de identiteit al voor 1990 is ontstaan en na 1990 door de persistentie en manifestatie ervan is ontdekt (‘ontdekken’ en ‘ontstaan’ mag met niet gelijkschakelen).


De hypothese en de uitwerking ervan zijn in die zin origineel dat ze voortkomen uit een aaneenschakeling van uiteenlopende opinies vanwege een 100-tal auteurs, aangevuld met redeneringen uit de identiteitstheorie. Zij is origineel omdat zij in opbouw, structuur, gedachtegang en conclusie geen precedent heeft. Ik opereer als een soort moderator die een eigen gewicht toekent aan bepaalde elementen en zelf nieuwe zaken opwerpt. Belangrijk hierbij is dat ik een ‘psychohistorisch perspectief’ hanteer. Nostalgie en identiteit hangen ongetwijfeld samen met de grote politiek-economische lijnen, maar in hun kern zijn het zich dagdagelijks vormende sociaalpsychologische verschijnselen. Ze ageren primair op het niveau van het dagelijkse leven en in de persoonlijkheid, mentaliteit en psyche van de ‘gewone mens op straat’. Voor een onderzoek daarvan is er interdisciplinariteit nodig: de grote politieke en economische verhalen moeten aangevuld worden met sociopsychologische inzichten en socioculturele uitweidingen. De blik vertrekt vanaf de gewone mens op straat, ‘von unten’. ‘Im Mittelpunkt steht der Mensch’. Deze DDR-slogan gebruik ik als onderzoeksbeginsel. 18 Als direct gevolg daarvan krijgen de ideeën van de Oost-Duitse psychotherapeut Hans-Joachim Maaz, van de Oost-Duitse sociaalwetenschapper en publicist Thomas Ahbe, van historici die oog hebben voor psychologie en onderzoekers die buiten het veld van de geschiedwetenschap treden een centrale plaats in mijn onderzoek.
Een theorie van dergelijke beperkte omvang, en in een kort tijdsbestek opgebouwd, heeft onvermijdelijk zijn lacunes. Ik verklaar een fenomeen vanuit de assumptie dat ze bestaat bij ‘vele Oost-Duitsers’, zonder deze groep concreet te benoemen, differentiaties binnen die groep aan te duiden of die te verklaren en verschillende vormen te onderscheiden. Wie wel, wie niet; de graad en de mate… dit zijn zaken die ik moet uitsluiten, hoewel ik besef dat een bespreking ervan mijn theorie zou kunnen beïnvloeden (bevestigen, relativeren, aanvullen, tegenspreken). De vragen luiden: hoe ontstaat de Ostidentität bij die Oost-Duitsers die ze ‘bezitten’? Hoe ontstaat nostalgie bij de nostalgici? Het gaat ook niet over de uitdrukkingsvormen en gevolgen van de nostalgie: de cultivering van producten, symbolen en relicten, het succes van de PDS, de invloed op de houding tegenover democratie (bijvoorbeeld: de ‘gevaren’ van de nostalgie voor die democratie), etcetera. Ik verklaar en definieer, daar stopt het. Identiteit operationaliseer ik zeer concreet. Alles wat buiten die definitie valt, krijgt geen plaats in mijn bespreking of wordt slechts in de marge opgenomen (bijvoorbeeld territoriale identificatie; zie verder). Het debat over de hereniging van Duitsland beslaat zeer vele aspecten. Enkel de gegevens die rechtstreeks nut hebben voor mijn onderzoek komen aan bod, de rest niet.
Opbouw van mijn theorie

Fenomenen als nostalgie en Ostidentität hebben in hun essentie te maken met individuele en collectieve identiteitsvorming. Vandaar dat het noodzakelijk is de term ‘identiteit’ allereerst concreet te operationaliseren ten dienste van het onderzoek.


De verklaringsanalyse die daarop volgend van start gaat, is chronologisch. In een eerste hoofdstuk onderzoek ik welke individuele en collectieve identiteit er bestond in de DDR. Allereerst ga ik na welke officiële DDR-identiteit de SED via allerlei kanalen wenste op te leggen aan haar bevolking en of men daar in slaagde. Ondanks een negatief antwoord hierop kan men niet overhaast besluiten dat er zich géén enkele identiteitsvorm ontwikkelde in het DDR-kader. Meer bepaald groeide door de dagelijkse ervaring van of socialisatie in de DDR een reëel bestaande identiteit: een Ostidentität. Dit verschijnsel zal ik definiëren en in haar kenmerken ontleden.
Het tweede hoofdstuk is het kloppende hart van deze studie. Bij wijze van aanloop staan we stil bij het opgezonde klimaat van illusies, verwachtingen en kortzichtigheid in 1990 waarin een deel van de latere ontgoocheling al was voorgeprogrammeerd. De hoofdbrok gaat uit van de centrale stelling dat de Ostidentität als erfenis van de DDR-samenleving vanaf 1990 wordt ‘gecontesteerd’ door twee met elkaar verweven ontwikkelingen die hebben geleid tot een persistentie, manifestatie en een nostalgische dimensie van de Ostidentität. De vereniging van twee verschillende identiteitsgroepen of ‘culturen’ (in de brede zin van het woord) leidde tot een confrontatie die bijdroeg tot de radicalisering van de identiteit. Het is een universeel gegeven dat groepen in het debat met ‘de andere’ zich meer uitgesproken gaan definiëren, dat de eigen identiteit verscherpt in een afgrenzingdynamiek. Die tendens wordt nog versterkt door een meer specifiek-Duitse ontwikkeling. De politieke, economische en socioculturele transformatie van de Oost-Duitse samenleving ging gepaard met drie problematische ervaringen. Ten eerste: relatieve deprivatie wat de materieel-economische ongelijkheid (inkomen, vermogen, werkloosheid) en bestuurlijke ondervertegenwoordiging betreft. Ten tweede: breuken en verliezen in het dagelijkse leven. Ten derde: gevoelens van een levensdevaluatie door een demoniserend DDR-discours. Dit zette twee reactie- en compensatiemechanismen in gang, waarbij socialisatie en situatie als verweven fenomenen een rol speelden. Als reactie op de drie ervaringen kwam er enerzijds een persistentie en manifestatie van de Ostidentität; anderzijds was er – vooral door de compensatie van het negatieve discours – de intrede van een nieuwe centrale dimensie in die identiteit: nostalgie. Het ging meer bepaald om een DDR-Partialnostalgie (of Ostalgie), een weemoedige terugblik op waarden, verworvenheden en het dagelijkse leven in/van de DDR. De versterking van de Ostidentität en de nostalgie worden uitgebreid verklaard en tegenover elkaar gesitueerd.
In een algemeen besluit wordt het beginverhaal gerecapituleerd in de gedaante van mijn theorie. Het contrast tussen de Poesie des Anfangs en de Prosa des Alltags wordt begrijpelijk en verliest zijn clichékarakter.

Identiteit’: theorie en OPERATIONALISERING
Auteurs die de Ostidentität en de nostalgie bespreken, vertrekken nooit van een definiëring van wat zij begrijpen onder ‘identiteit’, van wat dus hun centraal onderzoeksobject is. Dat leidt tot een abstract spreken over ‘een Ostidentität’ zonder de kenmerken daarvan concreet te duiden. Het onderzoek wordt erdoor tegengewerkt. Een echt debat kan niet ontstaan als er geen duidelijke begripsafbakening gebeurt waarmee men unaniem kan instemmen. Er ontstaat in tegendeel verwarring over het thema. Vaak doet men uitspraken die indruisen tegen de kenmerken van identiteit. Vermits fenomenen als nostalgie en – uiteraard – Ostidentität wezenlijk zijn verbonden met de dynamiek rond individuele en collectieve identiteitsevoluties, acht ik een identiteitstheorie als start- en referentiepunt uiterst noodzakelijk. Wat is identiteit? Hoe ontstaat, vormt en verandert het zich? 19
Identiteit is een moeilijk te definiëren term. Den Hertog noemt het een multipel complex geheel van kenmerken, eigenschappen, capaciteiten, denkwijzen, doelstellingen, eigenaardigheden en identificaties die worden toegeëigend en toegereikt aan het individu in een dynamisch socialisatieproces, vanaf de geboorte doorheen verschillende levensfasen. Men wordt opgevoed, ontwikkelt zich, doet ervaringen op en percipieert de omgeving. Men accumuleert geestelijk kapitaal: bepaalde kennis, vaardigheden. Daarbij spelen altijd verschillende ‘externe’ actoren een rol: de ouders en familie, school, vrienden, kennissen, de media, religie, politieke en economische ontwikkelingen in de eigen streek of daarbuiten, maar ook het eigen verleden en het gamma aan herinneringen. Dat vormt de ‘habitat’ waarbinnen identiteit wordt geconstrueerd. Er bestaat niet één individuele identiteit. In feite is het een op elkaar inwerkende optelsom van deelidentiteiten of identiteitsfacetten: religieuze, seksuele, geslachtsspecifieke, politieke, … Afhankelijk van de situatie en het moment manifesteert zich een deelidentiteit of meerdere. Tracht men de identiteit te formuleren, dan kan dat dus slechts gaan om een snapshot, een momentopname. Het is voortdurend in beweging.
Individuele identiteit ontstaat in wisselwerking met de omgeving waarin andere individuen(groepen) actief zijn, wat het naast een individuele ook altijd een sociale identiteit maakt. Externe actoren vervullen een referentie- of voorbeeldfunctie die een actieve en passieve, positieve of negatieve inwerking kunnen hebben op individueel gedrag. Belangrijk hierbij is de identificatie: een emotionele verbondenheid, een soort cognitieve toeëigening waar men ook uiting aan geeft zonder dat dit per sé een nauwe persoonlijke band en bloedverwantschap behoeft. De ouders bijvoorbeeld beïnvloeden actief bij de opvoeding en het al dan niet bewust verstrekken van ideeën of overtuigingen. Passief gebeurt dat via de identificatie van het individu met een ouder of beide ouders. Maar het hoeven geen individuen(groepen) uit de eigen omgeving, groep of sociale categorie te zijn. Anderen buiten de eigen groep spelen eveneens een rol. Men kan er zich van afgrenzen, men kan er zich aan spiegelen; uit een vergelijking kan een ‘relatieve deprivatie’ voortkomen; men kan bij dit referentieproces een gevoel van superioreit tegenover de andere ontwikkelen, maar ook inferioriteit. In het dagelijkse gedrag vindt dat pendanten als jaloersheid, afgunst, bewondering, idolatrie, gevoel van benadeling of bevoordeling, etcetera.
Uit de samenhang tussen individuen kan er zich een groepsidentiteit ontwikkelen. Voorwaarde daarvoor is dat er tenminste een aantal eigenschappen worden gedeeld en dat de identificaties tussen het ene individu met andere overstegen wordt door een subjectief samenhorigheidsgevoel, een lotsverbondenheid, los van de vraag of die historisch gelegitimeerd is. Subjectief, want men kent die andere individuen in de groep niet ‘echt’ en men voelt er zich niet persoonlijk mee verbonden. Dat leunt aan bij het gedachtegoed van Benedict Anderson die een natie als een ‘imagined community’ definieert. Gemeenschapsgevoel komt niet via die persoonlijke banden tussen individuen onderling tot stand, maar via een gemeenschappelijke identificatie in een abstracte groep. Indien verschillende individuele identiteiten zich tegelijkertijd met een referentie-object in tijd en/of ruimte identificeren, dan wordt het niveau van de sociale identiteit overstegen en ontstaat een collectieve of groepsidentiteit. Mogelijke referentie-objecten zijn: een politiek kader (een staat bijvoorbeeld), een geografisch gebied (stad, gemeente, provincie, land/natie, supranationale structuur), cultureel erfgoed, een gemeenschappelijk verleden of herinnering.
In deze context kunnen we ons twee begrippen door Frank den Hertog laten aanreiken: ‘nested identities’ en ‘contested identities’. Het eerste is een multipele ‘pluralistische’ identificatie, een gelijktijdig voorkomen van meerdere identificatieniveaus. Men voelt zich bijvoorbeeld intensief verbonden met Saksen, maar tevens met de Duitse staat en de Europese Unie. ‘Contested identities’ is een term die slaat op groepsafbakening tegenover ‘de anderen’. Men definieert de eigen groepsidentiteit als het ware ‘tegenover’, ‘anders dan’ een bepaalde groep of strekking. Hier passen dichotomieën als wij-zij, insiders-outsiders, autochtonen-allochtonen, leden-niet-leden. Meestal wordt de solidariteit bij de eerste groep bepaald door de lange gemeenschappelijke geschiedenis, door taal of religie, bij de anderen primair door hun gemeenschappelijke sociale status als ‘inwijkelingen’ of ‘buitenstaanders’. Dat lijkt vooral voor de migrantenproblematiek interessant, maar kan ook een interessante invalshoek leveren voor de kwestie West- en Oost-Duitsland. Groepen grenzen zich tegenover elkaar af via de toeschrijving van identiteitskenmerken: hoofdzakelijk positieve naar de eigen groep toe, hoofdzakelijk negatieve naar de andere groep. Hier ontstaan stereotypes. Zelfs al zijn er binnen de eigen groep grote verschillen, toch stelt men het als een unaniem blok voor dat sociaal, politiek, cultureel en territoriaal afgegrensd is van de andere. Het proces van ‘negatieve identificatie’, groepsafbakening en stereotypevorming gebeurt in alle samenlevingen en speelt altijd mee bij identiteitsvorming. 20
Deze identiteitstheorie vervult twee noodzakelijke functies in mijn studie. Ten eerste laat het toe ‘identiteit’ te operationaliseren. Wat begrijp ik wel en niet onder ‘identiteit’ en welke implicaties heeft dat voor mijn definiëring van de Ostidentität? Concreet zal ik met identiteit bedoelen: het geheel van waarden, normen, ervaringen, competenties, verwachtingen, identificaties, denk- en gedragpatronen dat in een socialisatieproces doorheen alle levensfasen en onder invloed van externe actoren is geaccumuleerd. Ik beschouw het dus als een ‘cultureel kapitaal’, als een mentaliteit, als een mens- en wereldbeeld waar men veelal onbewust uiting aan geeft. De term ‘identificaties’ heb ik – bij wijze van een statement – bewust temidden de opsomming geplaatst. Al te vaak is er een terminologische verwisseling tussen ‘identiteit’ en ‘identificatie’. Ik zie identificatie slechts als een deelaspect van identiteit. Identificatie met andere personen werkt identiteitsvormend. Identificatie met een territorium, bijvoorbeeld de Duitse staat, Oost-Duitsland of bepaalde regio’s (Saksen, Thüringen, …), betekent niet noodzakelijk dat er een Duitse, Oost-Duitse of Länder-identiteit bestaat, als we identiteit begrijpen als dat geheel van eigenschappen of een mentaliteit. Het gaat slechts om een soort emotionele verbondenheid die zeer sterk fluctueert naargelang de context. Het is niet omdat men zich Saks voelt of identificeert met de Bondsrepubliek dat dit de Ostidentität uitsluit. Men kan zich in eerste instantie Thüringer voelen, maar betekent dit dat men zich als een ‘echte Thüringer’ gedraagt, wat dat ook moge zijn? Als Turkse inwijkelingen in Duitsland zich ‘Duitser’ voelen, gaat dat dan niet eerder over een soort burgerschap dan over een Duitse mentaliteit? Aan de andere kant meen ik wel dat een identificatie met Oost-Duitsland een indicatie (maar niets meer dan een indicatie) kan zijn voor het bestaan van die Ostidentität. Belangrijk is de notie van ‘nested identity’: meerdere identificatieniveau’s kunnen gelijktijdig voorkomen zonder meteen in spanning met elkaar te staan. Wie een Ostidentität ‘vertoont’, kan zich mogelijkerwijze zowel met Oost-Duitsland als met Duitsland verbonden voelen. Concluderend: territoriale identificatie is in dit onderzoek relatief onbelangrijk. Met de definiëring van identiteit en de uitsluiting van de terminologische verwarring rond identificatie heb ik een theoretisch kader geconstrueerd waar ik best niet buiten treedt, wil ik men niet verliezen in die moeilijk te vatten identiteitskwestie. Nadat ik ten eerste uitging van de verwevenheid tussen Ostidentität en nostalgie, ten tweede van de combinatie tussen de socialisatie- en situatiehypothese, is de definitie van identiteit een derde en meteen laatste factor van de onderzoeksafbakening.
Met de referentie naar de identiteitstheorie kan ik bepaalde opinies corrigeren, ontkrachten, bevestigen of aanvullen. Dat is haar tweede functie. De situatiehypothese die stelt dat de Ostidentität in de enkele jaren na 1990 is ontstaan, kan – zoals gezien – voor een stuk tegengesproken worden door te wijzen op de langetermijnwerking van identiteit. Ze staat paradoxaal tegenover één van haar belangrijkste kenmerken. Maar vanuit de identiteitstheorie kan ook nieuwe argumentatie aangehaald worden door die theorie via een eigen denkoefening op de Oost-Duitse praktijk toe te passen. Het opent nieuwe hypothesen en verklaart bepaalde fenomenen wat beter.
Met de identiteitstheorie in de hand onderzoek ik in het eerste hoofdstuk in welke mate er een identiteitsvorming was in de DDR en vervolgens, in een tweede hoofdstuk, hoe deze zich ontwikkelde na 1990.

Hoofdstuk 1. Ostidentität en nostalgiepotentie in de DDR-periode (1949- 1990)
Identiteitsvorming in de DDR is een thema dat tot nu toe nauwelijks is onderzocht, hoewel het in mijn opinie (en die van vele auteurs) een beter begrip in de huidige ontwikkelingen kan dienen. De onderbelichting heeft reeds tot vele ongenuanceerde uitspraken geleid. De omverwerping van de DDR-staat door haar eigen burgers is voor verschillende waarnemers afdoend bewijs dat er geen DDR-Identität bestond, noch een vorm van Oost-Duits bewustzijn. Maar klopt dat? Een antwoord biedt de onderzoekster Joanna McKay. Zij stelt op een zeer overtuigende manier dat er dan wel geen officiële DDR-identiteit is ontstaan, zoals de SED die artificieel wilde opleggen aan haar bevolking, maar er desondanks een ‘reëel bestaande identiteit’ is gegroeid in de dagelijkse ervaring. In het eerste hoofdstuk werk ik haar these verder uit.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


Verilənlər bazası müəlliflik hüququ ilə müdafiə olunur ©kagiz.org 2016
rəhbərliyinə müraciət