Ana səhifə

Aanvraaginstructie


Yüklə 0.74 Mb.
səhifə5/10
tarix11.06.2016
ölçüsü0.74 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

16 Familiaal gelegenheidsdrukwerk uit de 17e eeuw
16.1 Groot plano (circa 58 x 44 cm) van een vierregelig Nederlands gedicht van “des grooten Scriivers vriendt ende dienaer Box­horn”, “Op de bruy­loft Van den Achtbaeren Heer, Henric Scrii­ver, Met de uytgele­sen Juf­frou, Juffr. Anna van Roodenburch (...)” te Oudewater 30 mei 1649. Het gedicht, dat gedrukt is te Leiden door Willem Christiaens vander Boxe, is gericht aan “Peter Scriiver, Onverge­lijckelijck çiercel, ende eere van sijne tijden”.

Incipit: “Heer Scriiver, dit is 'tbedt”.


Dit stuk is afgebeeld in ons artikel in De Nederland­sche Leeuw 119 (200­2), nr. 7-8, 327, alwaar meer over dit huwelijk staat vermeld. Zie de kopie van dat artikel in inv.nr. 37, stuk 44.
Bijgevoegd in bijlage I:

I.21 Fotokopie van folioblad 48r. uit hs. 130 C9 in de Koninklijke Bibliotheek-Den Haag. Incipit: “Ick Jan van Rodenburch De Jonge”.


16.2 Gegraveerd folio portret (41 x 30 cm) van Scriverius.

“Corn. Vischer sculpsit, P. Soutmanno Dirigente. P. Soutman pinge­bat, et excudebat, Harlemi 1649”, met boven in de lijst “AETATIS SUAE LXXIIII”


Be­doeld is “in zijn 74ste jaar”. Misschien bestond er een voornemen dit portret in Scrive­ri­us' grote werk Prin­cipes Hollandiae (P. Soutman, Haar­lem 165­0) op te nemen. Voor dat boek graveerde Vischer immers por­tret­bustes van de graven van Holland. Zie over deze graven­reeks W. van Anrooij (red.), De Haarlemse gravenportret­ten. Holland­se geschiedenis in woord en beeld, Hilversum 1997, met name blz. 87-91, en S. Langereis, Geschiedenis als am­bacht, Hilver­sum 2001, 259-264.

F. Muller, Beschrijvende catalogus van 7000 portretten van Neder­landers, Amsterdam 1853, 4897; F.W.H. Hollstein's Dutch and Fle­mish et­chings, engra­vings and wood­cuts, ca. 1450-1700, deel XL (Roos­endaal 1992), nr. 137, alwaar vier staten van dit portret beschreven worden.

Onder het portret staat Scriverius' spreuk “Legendo et scri­bendo” en 21 regels uit het 24-regelige gedicht van Hugo de Groot (name­lijk: vs 1-19, 23-24) aan Petrus Scriverius als “herboren Martialis”, de in 1618 uitgegeven Romeinse dichter, begin­nend: “Vitam quae faciant”, een pastiche van Martialis X, 47, geschreven in het Album Amicorum van Scrive­rius (Koninklijke Bibliotheek, Den Haag, hs 113 M 5, fol. 160 recto-verso) gedateerd 27 juli 1616. Het gehele gedicht is opgenomen in Grotius' Poemata Collecta van 1617, als laatste van het 1e boek van de Epigrammen.

Het schilderij van Soutman (83 x 69 cm.) in het Frans Hals Museum, is afkomstig uit de collectie van Cornelius Alexander de Jong van Rodenburgh (1883-1957). Zie: E.J. Wolleswinkel, 'De portretten van Petrus Scrive­rius en zijn familie', Jaarboek Centraal Bureau voor Genea­logie, 35 (1977), 116 (zie bijlage I, stuk 22). Mogelijk is dit het portret dat in het salet hing van het huis van Scriverius’ zoon Hendrik in Oudewater, waar volgens de boedelbeschrijving uit 1665 sprake is van “een conterfeytsel van za. Petrus Schrijverius” (zie bijlage I, stuk 32).


16.3 Gelegenheids-uitgaafje in gevouwen plano van 4 blz. met het ver­jaarsgedicht door Joachim Oudaan, onder de titel: “Geboor­te-groet, aan den Hoogh-Geleerde, ende zeer Beroemden Heere, de heere Petrus Scrive­rius, Op zijn Eds. LXXXste Verjaaren ten 12den van Louwmaand (= januari) 1656.”, beginnend: “kan uw’ verbeelding”.

Twee exemplaren.


Dit gedicht is ook opgenomen in: Bloemkrans van Verscheiden Gedich­ten, Door eenige Liefhebbers der Poëzij bij een verza­melt, Amster­dam 1659, 506-510; D. van Hoogstraten (ed.), Joachim Oudaans poëzy, verdeeld in drie deelen, deel 2, Am­ster­dam 1712, 251-255, en in Scrive­rius' Gedichten, Amsterdam 1738, 131-135. Zie over Oudaan ook “Het Leven” in de Gedich­ten, 33-35.

Scriverius is op zijn 80ste verjaardag in 1656 al blind, maar woont nog te Leiden. Pas als later in dat jaar zijn vrouw sterft, trekt hij in bij zijn zoon Hendrik in Oudewater.


16.4 Groot plano (circa 44 x 58 cm) op de “Uytvaart Van Juffv­rouw' Anna Willems vander Aer, Oud LXXX. Jaaren. Gewesen Huysvrouw van d'Heer Petrus Scriverius, Den tijd van LVII. Jaaren. Aflijvigh gewerden in haare Vaderlikke Stad LEYDEN, den XII­ Ien. van Herfst-maand. In 't Jaar 1656”.

32-regelig gedicht, beginnend: “Dit swart acht-hoekte Blok”, onder­tekend: “Post funera virtus” (de deugd leeft voort na de begrafenis/dood).


Het gedicht is opgenomen in Gedichten van Petrus Scriverius (173­8), blz. 137-138, met weglating van de regels 29 en 30, die luiden: “Daar 't geld-recht niet en geldt; veel min geld-Rech­ters gelden / Die doemen om gewin! O grouwel! niet te melden.” Van dezelfde anonieme dichter is het gedicht op de uitvaart van Petrus Scriverius op blz. 139-141 in de Ge­dichten, dat kennelijk als pendant van het eerste is geschre­ven met ten dele dezelfde bewoordingen, nu op Scri­verius zelf toegepast. Dit gedicht is ondertekend “De Ware Deugd In 't Graf vind Vreugd”.

Dit stuk is afgebeeld in ons artikel in De Nederland­sche Leeuw 119 (200­2), nr. 7-8, 330. Zie de kopie van dat artikel in bijlage I, stuk 44.



17 Advies inzake de erfenis van Willem Schrijver (1673-1678)
Op 2 augustus 1678 overleed op vierjarige leeftijd Willem III, kleinzoon van Scriverius’ zoon Willem I. Aangezien zijn vader, Willem II, in 1673 was overleden, was Willem III erfgenaam van een groot vermogen, afkomstig van zijn grootouders, Willem I en, vooral, Wendela de Graaff. Nazaten van Hendrik Schrijver, de broer van Willem I, hebben een claim gelegd op deze nalatenschap, althans advies ingewonnen of zij daarop aanspraak konden maken. Uit geen van de bewaard gebleven stukken in inv.nr. 17 tot en met 19 blijkt overigens dat die aanspraken geëffectueerd zijn. Al het kapitaal ging naar de familie De Graaff.
17.1 Katern van 5 diplomata.

Incipit: “Gesien bij den”.

Advies uitgebracht te Leiden 20 januari 1680 en mede onderte­kend door enkele rechtskundigen in Den Haag 1 februari 1680, inzake de erfenis van Willem Schrijver III (geboren in novem­ber 1673, overle­den 2 augustus 1678) op grond van interpreta­tie van de huwelijkse voorwaarden van zijn vader Willem Schrijver II “de Jonge” (1651-1673), kleinzoon van Petrus Scriverius, en Margaretha Six (1653-1704).
Het advies luidt dat de ene helft van de erfenis naar de kinderen van de broer van Willem Schrijver (I), Hendrik Schrijver, zijnde “de naaste vrienden” van vaderszijde, en de andere helft naar de De Graaffs, zijnde “de naaste vrienden” van moederszijde zou moeten gaan. Op o.a. blz. 4, 11 en vlgg. is een verwijzing naar de uit­spraak van de Hoge Raad op 1 december 1667 in de zaak van Gerrit van Papenbrouck c.s. versus Willem Schrijver (I) c.s., als voogden over Willem Schrijver (II).
Bijgevoegd in bijlage I:

I.23 Vgl. H. Bontemantel, De regeeringe van Amsterdam, uitgegeven door G.W. Kernkamp, 2 delen, Den Haag 1897; II, blz. 481-483.



18 Bijlagen advies inzake de erfenis van Willem Schrijver (1673-1678)
18.1 Kopie (uitgegeven voor kopie 10 augustus 1678) van de huwe­lijkse voorwaarden van Willem Schrijver II de Jonge (1651-1673) en Margar­etha Six (1653-1704) van 19 januari 1673 voor notaris Corne­lis Hoogeboom te Amsterdam.
18.2 Een tweede kopie van de huwelijkse voorwaarden van Willem Schrijver de Jonge (1651-1673) en Margaretha Six (1653-1704) van 19 januari 1673 voor notaris Cornelis Hoogeboom te Amster­dam.
18.3 Extract uit de huwelijkse voorwaarden van 19 januari 1673 (stuk 1 en 2) met daarbij de vraag geformuleerd of de goederen die Willem Schrijver III (1673-1678) had geërfd van zijn vader Willem Schrij­ver de Jonge (niet: van zijn moeder) alle aan de familie van zijn grootva­der (Willem I, 1608-1661) toekomen dan wel aan de familie van zijn grootmoeder Wendela de Graaff (1607-1652) voor zover van haar afkomstig.
18.4 Huwelijkse voorwaarden van Willem Schrijver I (1608-1661) en Wendela de Graaff (1607-1652) van 7 mei 1645 voor notaris Sebasti­aen vander Piet te Amsterdam. Officieel ondertekend 22 mei 1645.
18.5 Kopie van de officiële machtiging d.d. 27 oktober 1661 van de voogden van Willem Schrijver II na het overlijden in 1661 van zijn vader, Willem (I), zoon van Petrus Scriverius.

19 Interpretaties advies inzake de erfenis van Willem Schrijver (1673-1678)
Allereerst bevat deze omslag drie diplomata uitleggingen over de huwelijkse voorwaarden van Willem Schrij­ver II (1651-1673) en Margaretha Six (1653-1704), namelijk:
19.1 1 diploma.

Incipit: “Genealogie”.


Interpretatie omtrent het erfdeel dat Willem III (1673-1678) is toege­vallen van zijn grootmoeder van vaderszij­de, Wendela de Graaff (1607-1652), en niet over zijn grootva­ders (Willem I) nalaten­schap of over geld dat via eerdere verbintenissen van Wendela de Graaff met Van Papen­broek en Nooms bij de Schrij­vers te­recht gekomen zou zijn, maar over wat Wendela van haar vader gekregen had.
19.2 1 diploma.

Incipit: “Was bedongen”.

Interpretatie in de hand van Jan Willem (IX-A) omtrent een formulering in de huwelijkse voor­waarden van Willem II en Margaretha Six, dat het de bedoeling van Willem II (1651-1673) geweest zou zijn dat het door hem van Wendela de Graaff verworven goed terug zou gaan naar de De Graaffs.
19.3 1 diploma.

Incipit: “Als 't Willem Schrijver”.


Nog een interpretatie van de bedoeling van Willem II in de hand van Jan Willem (IX-A).
19.4 1 diploma.

Incipit: “Notabele papieren rakende de boedel van Petrus Scriverius (...)”. Notities in de hand van Jan Willem (IX-A).


Hierin worden genoemd het testament van 1617 van Scriverius’ ouders (nog in het archief aanwezig: stuk 2.1), “Inventaris van goederen van Hk Pieterse Schrijver overleden op den 2e en Cornelia Jansdr. overleden op de 10 july 1626 binnen Haerlem” (niet meer aanwezig), en de procuratie uit 1661 over het voogdij­schap van Willem Schrijver II, de Jonge (nog in het archief aanwezig: stuk 18.5).
19.5 1 diploma.

Incipit: “De broeder”.

Aantekeningen over de erfenis van Pieter Matthijsz. Schrijver (1558-1634), jongste broer van Scriverius’ vader, in de hand van Jan Willem (IX-A).
De volgende twee stukken, die mogelijk in het archief aanwezig waren maar zich daarin nu niet bevinden, worden genoemd:

1 “De broeder van Heyndk Pieterse Schrijver was Pieter Mat­thijsz. Schrijver zie miss. van laetsen aen eersten, van 18 Nov. 1625.”

2 “hij (bedoeld is: Pieter Matthijszn Schrijver) was oud sche­pen te Amsterdam. zie lijstje van goederen in zijn sterfhuis bevonden”.

In dit stuk worden nog de volgende dochters van Thijs Pie­tersz. Schrijver, de oudste broer van Hendrick Pietersz. Schrijver, vermeld: Baefje en Grietje, beiden zijn in of voor 1634 overle­den en hebben kinderen nagelaten. Er wordt verder gerefereerd aan processtukken of verbalen tussen de Soopen en Schrijvers (vgl. stuk 3.1).


19.6 2 losse diplomata.

In een onbekende hand, vermoedelijk dezelfde als van stuk 1, en ongedateerd:

“Remar­ques op het advys” (bedoeld is het advies stuk 17.1).

Incipit: “Bladzijde 5.”


19.7 1 diploma.

In weer een andere hand. Interpretatie van de huwelijkse voorwaar­den van Willem Schrijver de Jonge met Margaretha Six van 19 januari 1673.

Incipit: “Gesien bij de ondergeschreven”.
Dit stuk baseert zich op stuk 18.1 (of 18.2).
19.8 1 vel, in de hand van Samuel (X-A), met genealo­gische aanteke­ningen betreffende de familie De Graaff, en in latere hand enkele aanvullingen in potlood.
Bijgevoegd in bijlage I:

I.24 Nadere gegevens uit het familiear­chief De Graaff in het ge­meentearchief van Amster­dam.



20 Testament van Marijtchen Dircksdr van Rodenburg en Claes Janszn (1614)
20.1 Perkament.

Een gewaarmerkte kopie op perkament, gezegeld in 1634 en uitgegeven op 14 mei 1635, van het testament van Claes Jansz., zich noemend van Rodenburch, en Marijtge Dircksdr. (nl: van Rodenburgh) d.d. 25 juli 1614 te Leiden, gepasseerd voor Jacob Jans Verweij, notaris publiek te Leiden.


Uit het testament blijkt dat Claes Jans. van Rodenburg en Marijtge Dircks van de Staten van Holland een machtiging of octrooi van 7 december 1609 hebben om testamentair te beschik­ken over de goederen waarmee zij verleid zijn. Bepaald is dat na het overlijden van de langstlevende van hen hun dochter Machtelt haar leven lang het vruchtgebruik van de lenen en van de eigen goederen mag hebben, terwijl deze in eigendom overgaan naar de kinderen van Machtelt. Als Machtelt echter haar legitieme erfdeel (in plaats van het vruchtgebruik) zou opeisen, dan dient er meteen een boedel­scheiding plaats te vinden en mogen zij (Machtelt) of haar man (Cornelis Claeszn. Corsteman) niet het beheer krijgen over de goederen van hun kinderen.

De goederen gaan naar alle kindskinderen en hun nakomelingen. Indien er geen nakomelingen zijn (en dit was in 1675 het geval) gaan de goederen terug naar de familie van Claes Jansz. en Marijtge Dircks (ieder voor de helft van het gemeenschappe­lijke bezit) tot binnen de vierde graad toe.

Opmerkelijk is dat Claes Janszn. in dit stuk Van Rodenburch genoemd wordt, terwijl dit juist bij Marijtge Dircks hoort. Van haar wordt in dit stuk geen achternaam gegeven.
Aanhangsel.

Aan stuk 1 is vastgehecht een in 1634 gezegeld perkament, zijnde een op 3 mei 1635 met het origineel gecollationeerde kopie die op 14 mei 1635 is afgegeven.


Dit stuk betreft een gewaarmerkte kopie van een aanvulling d.d. 8 december 1616 op het testament van Claes Janszn. en Marijtge Dircks van 25 juli 1614.

Van “Joncheer Borchart van Sir(?), heere tot Gullick, en joffrouw Machtelt Sloot” zijn leengoederen te Noordwijk en Voorburg gekocht, en wel ná het opstellen van het testament in 1614. Met deze leen­goederen wordt Claes Corneliszn. Corsteman verleid, maar Claes Janszn en Marijtge Dircks verklaren na­drukkelijk dat dat geen recht op die goederen inhoudt, want die blijven binnen de erfenis voor alle erfgenamen.


20.2 Perkament.

Gewaarmerkte kopie van de nadere uitwerking van het gezamen­lijke testament van Marijtchen Dircksdochter van Rodenburch en Claes Janszn., dat op 25 juli 1614 opgemaakt was, door de weduwe “Marit­gen Dircksdr. van Rodenburch”, daterende van 2 december 1620.

Inliggend een transcriptie van Jan Willem Pieter (XII-D).
Haar enige dochter Machtelt zal slechts het vruchtgebruik behouden van Maritgens goederen. Machtelts man, Cornelis Claeszn. Corsteman, die vrouw en kinderen verlaten heeft, wordt uitgesloten van enige bemoeienis met die goederen, ook na Maritgens overlijden. Het stuk is een bevestiging van de testamentaire beschikking dat Machtelt niet het beheer van de goederen van Maritgen (waarvan nu al het vruchtgebruik aan Machtelt is gegeven) mag voeren. Machtelt wordt testamentair onterfd, mogelijk om aanspraken van haar man op een erfenis onmogelijk te maken, en Machtelts man wordt van het bewind van de goederen ontheven.
Bijgevoegd in bijlage I:

I.25 Genealogisch uittreksel (Van Roden­burg I en II).



21 Stukken rakende het proces over de verdeling van de goederen van Marijtge Dircksdochter van Roden­burg
21.1 1 diploma.

Incipit: “Huyden den negenden”.

Kopie van een op 9 november 1675 door notaris Nicolaes Paets te Leiden opgemaakte overeenkomst tussen drie partijen erfge­namen om van te voren de notariskosten van het proces te betalen en om de uiteindelijke notariskosten van het proces inzake de goederen van Marijtge Dircksdr. van Rodenburg en Claes Janszn. door de winnende partij te laten betalen.

Inliggend een notitie met familieverhoudingen door Jan Willem Pieter (XII-D).


Deze goederen waren afkomstig van de in 1675 overleden Nico­laas Corneliszn Korsteman, die geen kinderen en geen testament had nagelaten.

Eerste partij: 'Adriana Philipsdochter van Brederode, laests wedue van Pieter van Watervliet in sijn leven notaris tot Leijden' en Elisa­beth van Rodenburg, verwanten in de zesde graad van Marijtge Dircksdoch­ter van Rodenburg.

Tweede partij: Jan van Teteringen en Jacob van Koolhoven.

Derde partij: Annetje Kornelisdochter, weduwe Cornelis de Paape.

Wellicht heeft het stuk 7.1 'Geslacht den Hartoch en Sasbout' hiermee te maken. Bij ‘Maertie Dirksdr.’ is aldaar namelijk toegevoegd 'testeert'.
21.2 Gedrukt diploma van na 1675 (uit stuk 3 hieronder blijkt: uit 1676).

Incipit: “Korte Memorie voor (...) Commissarissen van het Hof van Holland”.

Van de notaris procureur C. Houttuin van der Heyde inzake de erfenis van Klaes Janszoon en Marijtge Dircksdr. van Rooden­burg. Het Hof van Holland heeft de zaak verder verwezen naar de Hoge Raad.
21.3 Gedrukt diploma te dateren na 19 januari 1685, waarschijnlijk 1687 of 1688 (vgl. punt 38).

Incipit: “Korte Memorie aan den Hoogen Raade” van notaris procureur Houttuin en anderen.


Petitie aan de Hoge Raad om een definitieve uitspraak inzake de erfenis van Klaas Janszn van Roodenburg (overleden in 1616 te Leiden) en zijn echtgenote Marijtge Dirks (overleden in 1627 te Leiden) toen hun enige dochter Magteld Klaasdr. van Roodenburg (overleden in 1628) gehuwd met Kornelis Klaasz. Korsteman en enkele van hun kinderen nog leefden, waarvan de laatste, namelijk Klaas Korneliszn Korsteman van Rodenburg in 1675 overleed.

Uit dit stuk blijkt dat de gezamenlijke erfenis in 1675 be­droeg 104.960 gulden en 15 stuivers, waarvan de familie van Korstemans vader echter 48.817 gulden en 17 stuivers opeiste als zijnde van Cornelis Claeszn Korsteman afkomstig. Op 22 december 1684 heeft de Hoge Raad Annetje Kornelis (wed. de Paape) als fideï-commissaire erfgenaam van Claes Janszn aange­wezen en Elisabeth van Rodenburg en Adriana Philips van Brede­rode als erfgenamen van Marijtge Dircks­dochter van Rodenburg. Daartegen is echter door verschillende andere pretendenten bezwaar aangetekend, o.a. op 19 januari 1685. De procureurs vragen nu een spoedige uitspraak in die appèlzaken.


Bijgevoegd in bijlage I:

I.26 Een fotokopie van een artikel over dergelijke erfrechterlijke kwesties: J. Th. de Smidt, 'Erf­rechtelijke perikelen of de levendigheid van het erf­recht', Jaarboek Centraal Bureau voor Genealogie, 35 (1981), blz. 125-135.


21.4 1 diploma, ongedateerd.

Incipit: “Aen den Hoogen Rade in Hollant”.

Kopie van een verzoek aan de Hoge Raad om spoed in een nieuwe zaak van de erfenis van Nicolaas Korsteman van Rodenburg, waarbij erfge­namen van diens vader alsnog een portie opeisen uit de twee gelijke delen waarin die fideï-commissaire erfenis was verdeeld.
Het gaat om twee gelijke delen van de erfenis, zowel datgene wat van de zijde van Claes Jans als datgene wat van de zijde van Marijt­ge Dircksdr. van Rodenburg afkomstig was. De inmid­dels overleden Annetje Cornelisz. blijkt uiteindelijk enig fideï-commissair erfge­naam te zijn geworden van Claes Jans, terwijl de goederen van Marijtge Dircks ponds ponds zijn toebedeeld aan de enige erfgenaam van Elisabeth van Rodenburg (namelijk haar zoon Nicolaes van Velsen, inmiddels ook overle­den) en aan (de inmiddels ook overle­den) Adriana Philipsdr. van Bredero.
21.5 1 diploma met omslag.

Incipit: “Wilhem Hendrick bij den Gratie Godts koningh van Enge­lant, Vrankrijck, etc. etc.” (= Willem III).

Gewaarmerkte kopie van 1 januari 1700 van het Hof van Holland.

Inliggend een notitie in de hand van Jan Willem (IX-A).


Het betreft de vrijstelling van kleermaker Evert Putman van de claims van de familie Fremaux van een zogenaamd door hem verschafte hypotheek van een huis gelegen binnen Leiden aan de Breestraat dat afkomstig was uit de nalatenschap van Marijtge Dircksdr. van Rodenburg en dat aan suppliant in eigendom overgedragen was op 1 mei 1694. Het eigenlijke stuk van het Hof van Holland is van 8 december 1699, en formeel gericht aan Willem Hendrik, de Koning-Stadhouder, e.a.

Uit dit stuk blijkt alleen de afloop van het proces om het erfdeel van Marijtge Dircksdochter van Rodenburg (en niet het erfdeel van Claes Janszn.) dat na het uitsterven van haar nakomelingen terugging naar vanwaar het gekomen was en via haar grootvader van moe­derszijde ná stuk 4 en vóór mei 1694 opnieuw verdeeld werd, en wel in drie gelijke parten over:

Eerste partij: Nicolaes vander Sprongh, enig erfgenaam van Adriana Philipsdr. van Bredero.

Tweede partij: Detloff Stuijmer als echtgenoot van Cecilia van Velsen; de twee onmondige kinderen van Nicolaes van Velsen; en Mattheus Gergou als echtgenoot van Geertruijt van Velsen.

Derde partij: Anna van Rodenburg en Mia van Rodenburg.

Klaarblijkelijk hebben inmiddels de kinderen van Jan van Rodenburg de Jonge, Anna (met haar kinderen), de echtgenote van Scriverius’ zoon Hendrik, en Mia, na het overlijden van de zesde graads verwanten van Marijtge Dircks, Elisabeth van Roden­burg­ en Adriana Philipsdr. van Bredero, herverdeling over de 7e-graads verwan­ten geëist en verkregen.


21.6 1 vel.

Latere kopie van het eerste deel van het voorgaande stuk, beginnend 'Willem Hendrick bij den Gratie Godts' en eindigend met 'Maer­tje Dicx van Rodenburgh,' in de hand van Samuel(X-A).


21.7 1 diploma.

Incipit: “Bekenne ick onderges(chreven) Cornelis van Dorp”.

Een door Cornelis van Dorp ondertekende kwijting van 29 juni 1703 te Leiden. Op de achterkant een samenvatting in de hand van Samuel (X-A).
Van Dorp had een schuldbekentenis d.d. 11 november 1684 ten laste van de erfgenamen van Nikolaes Corsteman van Roodenburgh, die in 1684 was over­genomen door de fideï-commissaire erfgenamen van Marijtge Dircksdochter van Rodenburg, groot 175 gulden. Anna en Mia van Rodenburg waren ieder voor de helft van een derde part erfgenaam geworden, ongetwijfeld als remplacanten van hun inmiddels overleden vader. De schuld is nu afgelost.

22 Familie de Lange
22.1 2 diplomata.

Testament van Marrichge Cornelis Aertsen de Langendochter de oude en van Marrichge Cornelis Aertsen de Langendochter de jonge.

Extract uit het register der testamenten te Oudewater van 22 decem­ber 1628 van het testament van 19 december 1628. Jan Claesz. van Roodenburch de Jonge, de vader van Scriverius’ schoondochter Anna, wordt in dit stuk “Schee­pen deeser voors. Steede” (= Oudewater) genoemd.

Inliggend een genealogische schets van de familie de Lange door Jan Willem Pieter (XII-D).


Bijgevoegd in bijlage I:

I.27 Een fotokopie van de kopie van 1819 (stuk D7).


22.2 2 diplomata.

“Extract wt het tweede Register van de testamenten gepasseert voor Schepenen der Stede Oudewater”.

Uitgegeven extract opgemaakt bij H(ugo) de Hoij, secretaris van Oudewater in 1640, van een codicil uit 25 maart 1639 bij schepenen gepas­seerd, op een eerder opgemaakt testament van 19 december 1628 door “Mar­richge Cornelis Aertsen de Langendr.” wonende op de “Westsijde van de Isule” (= Hollandse IJssel) te Oudewater.
Dit stuk betreft waarschijnlijk Marrichje Cornelisdr. de jonge, gezien het merkteken (in plaats van een handtekening) achter haar voornaam onder dit stuk èn een vergelijkbaar teken onder het stuk uit december 1628. Onder de vele genoemden is ook Annichge Cornelis Aertsz. (de) Langendochter, haar zuster, ge­trouwd met Willem van der Does. Aan haar worden onder andere twee tafreeltjes, namelijk van de drie koningen en Maria met het kind, gelegateerd. Haar zoon Bouwen krijgt 400 carolus gulden om zijn moeder levenslang een uitkering te geven. “Johan van Rodenburch de Jonge” kreeg al voor zijn diensten een kruisaf­name. Hij wordt (samen met Cornelis Hendrikss de Lange) execu­teur-testa­mentair genoemd, als echtgenoot van Grietge Ariensdr., een nicht van testatrice.
22.3 1 diploma, betreffende de liquidatie van de erfenis van de jonge Marrichge Cornelis Aertsz(dochter) de Lange voor notaris Hugo de Hoij te Oudewater op 12 januari 1646.

Inliggend een notitie van Jan Willem Pieter (XII-D).


Als erfgenamen worden genoemd haar kinderen: Ariaentge en Grietge Ariens alsmede Maria en Boudewijn van der Does uit een ander huwelijk van Annigje Cornelisdr. de Lange, met Willem van der Does. (Boudewijn heeft procuratie van 8 maart 1645 van zijn zuster Maria.) Executeur-testamentair van Annigje Cornelisdr. de Lange is geweest Jan van Rodenburg de jonge, “man en voocht van Grietge Ariens”. Van Margriet Adriaensdr. de Lange is “de Lange” de moeders­naam. Zelf noemt zij zich “de Lange” (zie haar handtekening onder stuk 25.1), maar in de beide stukken van 1639 en 1646 wordt zij alleen Grietge Ariens genoemd.
Bijgevoegd in bijlage I:

I.28 Een fotokopie van een negentiende eeuws afschrift (D3) naar dit exemplaar. Aan de buitenkant staat genoteerd: 'Afgeschreven naar een origineel extract in handen van den Heer Samuel van Hoogstraten. Rid­der.'


1   2   3   4   5   6   7   8   9   10


Verilənlər bazası müəlliflik hüququ ilə müdafiə olunur ©kagiz.org 2016
rəhbərliyinə müraciət