Ana səhifə

Aanvraaginstructie


Yüklə 0.74 Mb.
səhifə4/10
tarix11.06.2016
ölçüsü0.74 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

12 Brieven van andere familieleden
12.1 Christiaan (van) Rodenburg (1618-1668) te Dordrecht aan Hendrik Schrij­ver (1610-1665) te Leiden.

6 mei 1659. Met adres buitenop (“ten huijse vande heere Pieter Schrijver op den Rhijn jnt Turcxhooft”).

Incipit: “Volgens Ued. Versoeck heb ick des selfs”.

Onze transcriptie is bijgevoegd. Zie ook hierboven bij de inleiding van inv.nr. 11.


12.2 Willem Schrijver II (1651-1673) te Amsterdam aan zijn tante Anna (van) Rodenburg (1628-1707) te Gouda.

20 januari 1673. Met adres buitenop.

Incipit: “De laedtste mael u ede.”.

Inliggend een transcriptie van Jan Willem Pieter (XII-D).

Onze transcriptie is bijgevoegd. Zie ook hierboven bij de inleiding van inv.nr. 11.
12.3 Jan Soop de Jonge (1602-1655) te Nijmegen aan zijn broer Floris Soop (1604-1657) te Amsterdam.

27 oktober 1632. Met adres buitenop.

Incipit: “Op heden hebbe aen v.e.”.

Onze transcriptie is bijgevoegd. Zie ook hierboven bij de inleiding van inv.nr. 11.



13 Zakelijke stukken van Scriverius
13.1 De helft van een diploma in folio.

Een kopie van Scriverius' jachtvergunning (konijnenjacht) van 10 augustus 1623, uitgegeven door Johan van Wassenaer, Heer van Duivenvoorde etc. en houtvester van Holland.


Op de achterzijde van de nog aanwezige linkerhelft heeft Scriverius nog een drietal notities gemaakt. Deze betreffen ene Claes van Ru(ij)ven, houtvester van de Haarlem­mer­hout in 1410, de moord op Willem van Assendelft in 1455, en de verkoop en verbod van een “Tapperije” bij Heemstede in 1537.

Vergelijk bij dit stuk de brief van Jacob van Mijerop van 10 novem­ber 1628 (9.15) over het dan inmiddels in werking getreden algemeen verbod op de jacht.


13.2 1 diploma.

Een huurovereenkomst van 10 oktober 1631, tussen “de Meesteren vant arme Weeshuys” te Leiden en “Petrus Scriverius”.


Het betreft de huur door Scriverius van de helft van de laan genaamd “den Vouwer”, waarvan de andere helft behoort aan het “Sincte Catha­rynen Gasthuys” te Leiden, welk laantje ligt te Voorschoten en loopt tussen de “Heerwech tot aen de Vouwercamp”. De vorige huurder was Leen­dert Dircxsz te Voorschoten. Scriverius huurt het voor 5 jaar ingaande de dag van Sint Pieter ad Cathedram (= 22 februari) 1632 voor 25 stuivers jaarlijks te betalen aan de rentmeester van het weeshuis. Het stuk is een van de twee originele ondertekende exemplaren.

Op blz. 3 en 4 van het diploma staan aantekeningen van Scrive­rius betreffende:

1) de bovenste aantekening betreft de betaling aan rentmeester Leeuwen op 25 april 1634 door hem van de eerste twee jaar huur (1632 en 1633) plus nog hetgeen “het Huijs aan de Outsten (waarschijnlijk van het Gasthuis, of van de Kerkmeesteren van Voorschoten) of Jacob Joosten ten afteren stont”, over het jaar 1631.

2) de onderste aantekening stelt: “Ao 1631 den 10e Octobris gehuijrt tegens ‘t volgende jaer ende de vier naeste jaren: ingaende ’t eerste Petri ad cathedram (22 febr.) ao 1632”. Daaronder de vervaldagen van 1633 en 1634. In de marge daarbij: “Hier bij gedaen ’t jaer verschenen ao 1631 bij Jacob Joosten gebruijckt ende bij mij betaelt”.

3) de koop door Scriverius van land te Voorschoten op 16 januari 1632 uit een openbare verkoop door “de Kerck en Heyligengeestmeesters van Voorschoten”.

4) twee aan elkaar grenzende stukken “geestlant”, gelegen “int Hofflandt”, het laatst in gebruik bij Lener Dirck Oomen. Het is onzeker of dit hetzelfde land betreft als onder 3. Het Noord-Hoffland is een nu nog gebruikte naam in het noorden van de gemeente Voor­schoten.

In de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag, hs. 121 D1/23a-3, wordt een 24 december 1640 gedateerde brief van Gerardt Te(e)us te Den Haag aan Willem Schrijver te Leiden bewaard, die handelt over de precieze scheiding tussen een stuk “teellandt” te Voorschoten van Scriverius en dat van de nicht van Gerardt Teus. Op de buitenkant staan aantekeningen van Scriverius betreffende deze stukken land en een (hier waarschijnlijk op betrekking hebben­de) overeenkomst tussen leden van de familie Teus, de Kermeesters van Voorschoten en onder andere het gasthuis en weeshuis “Sint Katrijnen & Heyligen geest”, beide te Leiden.

13.3 Incipit: “Wij Adriaen van Gorcom Schout”.

Stuk van 17 oktober 1643, opgemaakt en gezegeld op verzoek van Petrus Scriverius.

Inliggend een later afschrift in de hand van Samuel (X-A).


Scriverius heeft voor schout en schepenen van Lisse verklaard dat Bruijn Sappens en Ella, diens huisvrouw, in 1334 een capelle­rie in de kerk van Graft hebben gefundeerd. In de fundatiebrief stond dat de opbrengst van de bij de capellerie horende landerijen altijd aan de oudste van de erfgenamen van Ella zou vervallen. De opbrengsten van de landerijen die behoorden tot de capellerie of vicarie zijn tevens de inkomsten van de capellerie. De aanleiding van Scriverius' verklaring vormt het octrooi van de Staten daterende van 4 december 1634 dat de landerijen van de capellerie in openbare verkoop zullen worden verkocht op 29 decem­ber. Scriverius verklaart ten tweede dat de capellerie is komen te vaceren door de afstand van Peter Jacobsen Calantius (die het in 1640 verworven had van zijn vader, die toen de oudste van het geslacht was) en dat hij, comparant (Scriverius), de oudste en naaste van de erfgenamen van Sappens en Ella, pa­troon en collateur (= rechthebbende) van de capellerie is, en het recht op de inkomsten daarvan had overgedragen aan Scriverius’ verwant Arent Cornelissen Suij­cker. Suijcker (ons als verwant van Scriverius onbekend) verklaart tezelf­dertijd dat hij dit aanvaard heeft en Calantius bevestigt zijn afstand.

Nadere gegevens uit andere bronnen:

In het familiearchief De Graaff (op het gemeentearchief van Amsterdam), PA 76, nr. 640, worden twee door “De Ridderschap Edelen ende Steden (= de Staten) van Hollant ende Westvrie­slant” gezegelde en uitgegeven perkamenten bewaard. Het eerste (stuk 262) is van 7 april 1635, het tweede (stuk 286) van 8 december 1643.

Uit het eerste stuk valt op te maken dat in 1635 Jacob Ariensz. Callantius (de vader van Peter Jacobssen Calantius) collateur was, en dat deze Jacob een losrente van driehonderd­zes ponden gekocht heeft.

Uit het tweede stuk blijkt dat het verzoek (dat Scriverius klaar­blijkelijk op grond van de verkla­ring ten overstaan van Schout en Schepenen van Lisse aan de Staten van Holland en Westvrie­sland gedaan heeft), gehono­reerd wordt. De Staten verklaren namelijk dat “Arent Corne­liss. Suijcker de goede­ren ende incompsten totte voorschr. cappele­rie behoorende sal mogen aenvaerden (...)”.

“De Staten van Holland en Westvriesland accorderen op het request van Peter Scryverius, als oudste en naaste van het geslacht van Bruijn Sappens en Ella, zijn huisvrouw, funda­teurs van de kappelrye of officie in de kerk te Graft in den jare 1334, en als zoodanig collateurs van dit officie, om de goederen en inkomsten daarvan, in 1634 als allodiaal verkocht, te doen aanvaarden ten oorbaar van Arent Cornelisz. Suycker, te Haerlem, als opvolger van Pieter Jacobsz. Calantius, die daarvan afstand heeft gedaan en aan wien de pastorie als gifte van zijn vader was gekomen, mits dat genoemde Arent ter schoo­le gezonden en in de gereformeerde christelijke religie opge­togen zal worden en dat binnen zes weken een behoorlij­ke staat van de inkomsten aan den ontvanger zal worden geleverd, die­nende tot onderhoud van de kerkdienaren. Ondertekend door: J. Wassenaar.” Uit: Mr. W.R. Veder, Het archief der familie De Graeff, Amsterdam 1914, 57.

Het eerste gedeelte van dit stuk komt bijna letterlijk overeen met het stuk van 17 oktober 1643 dat op verzoek van Scriverius werd opgemaakt.


Eveneens in het familiearchief De Graaff berust een stuk van 15 februa­ri 1680 (PA 76, nr. 608, dossier IV, portef. 1) betref­fende de scheiding van de goederen van Willem Schrij­ver III, die op 2 augustus 1678 te Lisse overleden was. Uit post 99 (“Een Vicarie brief ten lasten de stad Haarlem in dato 7 april 1635, maar also men meende zo van capitaal als inte­resse niet (= niets) te zullen komen, werd hier alleen gesteld: pr. memo­rie”), blijkt dat de capellerie tenslotte overge­gaan is van Suijcker op Petrus Scriveri­us of diens zoon Willem. In 1680 is het vererfd op de erven van Andries de Graaff.
13.4 1 diploma, 1652, kopie van een stuk gepasseerd voor notaris Jacob Verwey binnen Lei­den.

Incipit: “De Raden over hollandt”. Op de achterkant staat: “Copie Mandament om d'heere Petrus Schrijve­rius”.


Kopie ten behoeve van Petrus Scriverius, vermoedelijk als koper, van een uitspraak van het Hof van Holland van 17 febru­ari 1652 over de verrekening onder de erfgenamen van fideïcom­missaire, maar inmiddels verkochte landerijen uit de erflating door de inmiddels overleden Bartholomeus Bartholomeusse en Aeltgen Cornelis bij testament van 22 november 1620 onder hun kinderen en kindskin­deren, te weten: Cornelis Meesen, Trijnt­gen en Aris, nagelaten wezen van Sijmon Meesen (kind), Marit­gen Meesen (kind), Meem Meesen (kind), Claes Dircksen als echtge­noot van Leentgen Meesen (kind), allen in Lisse, Jacob Doud­esen, man van Niesgen Meesen (kind) te Voorhout, Cornelis Jeroensen, echtgenoot van Grietgen Engels, dochter van de overleden Grietgen Meesen (kind) te Noordwijk en Anna Meesen (kind) te Hillegom.

Uit een postscriptum blijkt dat een kopie en het origineel naar Scriverius' zoon (vermoedelijk Willem) is gestuurd en dat de inhoud daarvan op 4 maart 1652 aan Scriverius bekend is gemaakt. Cornelis Jeroensen, als een der erfgenamen, heeft als waarborg aan Scriveri­us, voor het door Scriverius gekochte land, gesteld een molen en huis binnen Leiden. Scriverius heeft verklaard dat hij het beslag op de molen wil opheffen als het huis niet hoger belast is dan met 400 gulden. Nu blijkt dat op het huis 1000 gulden hypotheek rust, moet Corne­lis Jeroensen die met 600 gulden verminderen. Alleen dan is Scriverius bereid het beslag op de molen op te heffen.




14 Werk van Scriverius
14.1 1 los folium met een niet van elders bekend eigenhandig 34-regelig Latijns lofdicht van Petrus Scriverius op de Leidse hoogleraar Paullus Merula (1558-1607).

Incipit: “Disciplinarum tibi”.


Oorspronkelijk stond er alleen het jaartal 1600 en P. Scriverius onder, maar later is het door Scrive­rius zelf voorzien van het onderschr­ift: “Petrus Scriverius. / Lugd. Batavor. / IV KAL. Januarii, Anni / MDC” (= 29 december 1599). Met dezelfde inkt heeft Scriverius een aantal hoofdletters (in vs 29-31) aangebracht en onderstre­pingen (als aanwijzing voor zetters dat een afwijkend letter­type gebruikt moest worden). Het gedicht zal dus door Scriverius zijn bestemd en gereedge­maakt voor de druk, waarschijnlijk als lofdicht in een boek van Merula. Verschillende van de in het gedicht bedoelde werken van Merula waren echter in 1600 nog niet uitgegeven.

Opschrift: “V(iro) CL(arissimo) PAULO G(uilielmi) F(ilio) P(auli) N(epoti) MERULAE. (In plaats van de P stond er eerst een G; kennelijk had Scriverius zich eerst vergist: Paullus was inderdaad de kleinzoon van Paulus, niet van Wil­lem.)


14.2 Een later bijgeknipt los folium met een niet van elders bekend 18-regelig Latijns gedicht aan Petrus Scriverius van:

“Maxaemijlianus Vrientius” (Maximiliaan de Vriendt, 1559-1614, Neolatijns dichter en stadssecretaris van Gent).

Opschrift: “Cl.mo viro Petro scriuerio”.

Incipit: “Si tibi, Scriueri”.


Deze dichtelijke brief is gedagtekend te Gent 1 december 1607 en ondertekend: “Amicitiae tuae studiosissimus Maxaemylianus Vrientius”. Aan dit gedicht moet een (schriftelijke) introductie zijn voorafge­gaan door een wederzijdse vriend (Daniel Heinsius?). De Vriendt vraagt zich nu af waarom het niet tot een schrifte­lijke relatie is gekomen. In de linkerbovenhoek staat het later aangebrachte nummer 58. Het vel is in achten gevouwen geweest en waarschijnlijk als of in een brief verzonden.
14.3 Plano (twee maal folio-formaat) met naast elkaar twee gegra­veerde portretten, elk samen met een eronder gedrukt gedicht van Petrus Scriverius in een houtsnede-omlijs­ting.
Links:

De Schotse humanist en Neolatijnse dichter George Buchanan (1506-1582). “C(hristoffel) v(an) Sichem sculp et excud.” en “IC (= CI. of IC.) W. pinx”. Buste, naar links, in nis, met open boek in de hand. Het is de voorstelling van het bekende Natio­nal Gallery-portret of van het daarop lijkende Wolfenbüttel-portret, dat Buchanan als “Aetat. 76” afbeeldt. Het heeft ook het daarbij beho­ren­de 2-regelige epigram. Zie: I.D. McFarlane, Buchanan, Londen 1981, 534. De gravure komt niet voor in Hollstein's Dutch and Flemish etchings, engravings and wood­cuts (1983). Hollstein vermeldt wèl van Van Sichem vele hout­snede-omlijstingen bij por­tretten. Onder de plaat staat een ons nog niet van elders bekend, waar­schijnlijk voor dit plano geschreven, bijschrift van 16 La­tijnse verzen, ondertekend “Petrus Scriverius”, beginnend: “Hic est, quem novi”. In de Catalogue of Engraved British Portraits, Volume I, British Museum, Londen 1908, staat op blz. 271 onder de por­tretten van George Buchanan:

“9) Aged 76; bust, to l., holding open book; within richly decora­ted border engraved on seperate plates. From picture in Edinburgh University. Painter: CI. W. (dit is: I.C.W. of C.I.W.) Engraver: C. van Sichem.

10) Same picture; to r.; eight Latin lines below. J. Busseme­cher exc. Pl. to Sir W. Stirling Maxwell's Portraiture of the 16th century, 1872. Engraver: E. van den Bosche.

11) Copy from the last; bust in niche on pedestal inscribed with 16 Latin lines by Scriverius. Engraver: B. Blokhuysen.”

Deze laatste is dus een andere gravure, maar het gaat onge­twijfeld wel om hetzelfde gedicht van Scriverius.

Rechts:

Het portret van de Fransman Petrus Ramus (1515-1572). “C. v. Sichem sculp. et exc”.



Op de plaat bovenaan “Petrus Ramus AETA. 55” met Ramus' devies “LABOR OMNIA VINCIT”; linksboven: “Mortuus 1572”; onderaan een vierregelig Latijns epigram, ondertekend R.S.V., beginnend: “Rame, sophoon (in Griekse letters) decus”.

Onder de plaat het 12-regelig Latijnse gedicht op dit portret, ondertekend “Petrus Scriverius”, dat ook gedrukt is in de Opera Anecdo­ta van 1737 op blz. 432, beginnend: “Ramus hic est”. Daaronder een tweeregelig Latijns epigram van S. Paschasius, Parijs jurist, beginnend: “Hic in Aristotelis”. Van Petrus Scriverius is ook een zeer lange “Lof van de wis-konst”, een lofdicht op Petrus Ramus' Meetkonst, dat in het Neder­lands vertaald werd door Dirck Henricxs. Houtman, “oversien, ver­rijckt, en verklaert” door Willebrord Snellius (1580-1626, sinds 1612 hoogleraar wiskunde te Leiden als opvolger van zijn vader), uitgegeven “t'Amstelredam By Willem Jansz. Blaeuw” in 1622. Scriverius’ lofdicht staat voor in de Meetkonst en is onderte­kend: “Legendo et Scribendo, 1621”. (Het boek is opgedragen aan Adriaen Pauw, o.a. curator van de Leidse Universiteit. Na het lofdicht op de wiskunde volgt een sonnet van “I.v.Vondelen”.) Het lofdicht is ook opgenomen in Scriverius’ Gedichten 1738, blz. 79 tot 92, echter zonder de datering 1621.

Het portret van Ramus staat te boek als vervaardigd door Christof­fel van Sichem de Oude, die niet alleen als graveur en drukker optrad, maar ook als uitgever, o.a. van prenten en prenten-reeksen. (Zie: NNBW, IX (1933), 1023 tot 1028, in het bijzon­der kolom 1026.) Alleen de plaat wordt vermeld in Hollstein (C. Van Sichem I, 28) en in Charles Wadding­ton, Ramus, sa vie, ses écrits et ses opinions, Paris 1855, 321-322, zonder vermelding van het voorbeeld dat Van Sichem gebruikt moet hebben. Hetzelfde geldt voor de vermelding bij Charles Desmaze, P. Ramus, Parijs 1864 (reprint 1970), 122-123.
Het feit dat de portretten van Buchanan en Ramus samen op één vel zijn gedrukt, maakt het waarschijnlijk dat Van Sichem (1546-1624) een reeks geleerden-portretten op de markt heeft gebracht of wilde brengen, waarvoor hij Scriverius om bij­schriften heeft gevraagd. Kennelijk is alleen een losse prent van Ramus in handen gekomen van de editeur van Scriverius' Opera Anecdota, A.H. Wester­hovius.
14.4 Los portret van “LAURENTIUS COSTERUS HARLEMENSIS

Primus Artis Tijpographicae Inventor circa Annum 1440”.


Onder het portret staat een vierregelig epigram, beginnend: “Vana quid archetijpos” en ondertekend: “P. Scriverius”. Links van het epigram staat: “J.V. Campen pinxit.” en rechts: “J.V.Velde sculp­sit”.

F.W.H. Hollstein's Dutch and Fle­mish etchings, engra­vings and wood­cuts, ca. 1450-1700, deel 34 (1989), 391; F. Muller, Beschrijvende catalogus van 7000 portretten van Neder­landers, Amsterdam 1853, 3013.

Over dit portret is een publicatie in voorbereiding in de Quae­rendo-reeks 'Scriveri­a­na' van de hand van M. Roscam Abbing en P. Tuynman.


14.5 Los folium met een eigenhandig geschreven onvoltooide opzet van Scriverius voor vermoedelijk een opdracht bij een voorge­nomen publicatie, of eventueel een brief, waarschijnlijk gericht aan de Magistraat van Haarlem.

Incipit: “MIJN HEEREN, Siet eens wat ul(ieden)”. Ongedateerd, maar geschreven na het door Gabriel Naudé geschreven Addi­tions à l'histoire de Louis XI, dat in 1630 te Parijs was verschenen en waarop Scriverius reageert.


Over onder meer dit stuk handelt de publicatie in voorbereiding, genoemd bij het voorgaande stuk.
14.6 Twee gevouwen diplomata met eigenhandig geschre­ven, niet van elders bekende, Latijnse gedichten en aantekeningen van Scriverius, betrekking hebbend op zaken rond de uitvinding van de boekdrukkunst.
Blz. 1:

1) Gedicht van 10 regels: “De T. Livii Manuscripti pretio, ante inventam Typographiam”, beginnend: “LIVIVS, aeterno quem”.

2) Bijbehorende passage uit een brief van de Italiaanse huma­nist Antonio Beccadelli Panormita (1394-1471) aan Koning Alphons van Napels en Sicilië over dit manuscript, beginnend “Significasti mini nuper”.

Blz. 2:


Met het voorafgaande samenhangend 22-regelig gedicht, “De Conciona­to­re quodam, qui agrum proscripserat ut libros eme­ret”.

Incipit: “Duxerat uxorem”.

Blz. 3 en gedeeltelijk 4:

Een 40-regelig lofdicht zonder opschrift, beginnend: “Quisquis in excusos”, op Haarlem en bepaaldelijk op “Custos” (= Coster) wegens de uitvinding van de boekdrukkunst. In de voorlaatste regel wordt ook Naudé genoemd. Het gedicht dateert dus van 1630 of later.

Verder staat op blz. 4:

Een 4-regelig en een 2-regelig satirisch epigram “Succidiae West­phalicae, apud Gallos falso Moguntinenses dictae” (= West­faalse spek, die de Fransen ten onrechte Mainzer spek noemen), ongetwij­feld gericht tegen Naudé, die de aanspraken van Mainz en Gutenberg steunde.

Incipits: 1) “Excusis primo”. 2) “Faustus ob inventam”: Er wordt gezegd dat Faustus (Johan Faust) er door de uitvinding van de boekdrukkunst rijkelijk van tafelt (maar intussen) schrokt hij van ònze ham.

Daaronder: een citaat over deze spekbenamingen van “Henricus Stephanus in Nund. Francof”. Dit is het door Henri Estienne in 1574 uitgegeven boekje over Frankfurt: Francofordiense empo­rium, sive Francofordienses nundinae, in 1911 te Chicago uitgegeven door James Westfall Thomson onder de titel The Frankfort Book Fair (reprint Amsterdam 1969). Het citaat staat in de uitgave op blz. 156.

Blz. 5:

Een 6-regelig epigram op de afbeelding van Coster (“In effi­giem Laurentii”), een ander dan dat op het bovengenoemde portret (stuk 14.4).



Incipit: “Ingenium in digitis”.

Blz. 5 en 6 zijn verder blanco.

Blz. 7 en onderaan blz. 8:

Een lang kortregelig gedicht met vele doorhalingen en wijzi­gingen op de uitvinding van “Custos” (= Coster) met het op­schrift: “De Laurentio Hercule Musageta Batavo” (op Laurens, de Hol­landse Hercules als leider der Muzen). In dit opschrift is “Laurentio” doorgehaald, wat bedoeld is met hetgeen boven “Hercule” staat, is ons niet duidelijk. Wat op blz. 8 onderaan staat, is het eerste klad voor vs 1-9.

Bovenaan blz. 8:

Nog een 6-regelig gedicht op de afbeelding van Coster “In effi­giem”, beginnend: “Quis referat vultus”.

In het midden van blz. 8 had Scriverius eerder overdwars de titel genoteerd van de bestemming die hij oorspronkelijk in gedachten had voor deze (toen verder nog blanco) bladen: “Adriani à Moeusyenbrouck Patricii & Jurisconsulti Dordraceni, Notae in Jura & Consue­tudines Zuyt-Hollandiae”, de titel van het boek of manuscript met commentaar van Adriaan van Meusienbroeck (of: Moe­sien­brouck; overleden in 1630) op de handvesten en costumen van Zuid-Holland die in 1628 door J. van den Eyck te Dordrecht onder de titel Corte Beschrivinghe mitsgaders Handvesten, Privilegien, Costumen ende Ordonnantiën van den Lande van Zuyt-Hollandt, in druk waren uitgegeven.
Ook over dit stuk handelt de publicatie in voorbereiding genoemd bij stuk 4.
14.7 1 diploma, dubbel folium.

Bedrukt met een concept-titelpagina, versozijde van titelpagi­na en een eerste en tweede bladzijde van een door Scriverius voorgeno­men uitgave, die nimmer tot stand is gekomen, het geheel voorzien van eigenhandige en met de pen aangebrachte wijzigingen en toevoe­gingen.

Op de titelpagina gedrukt: Het tweede deel van de Oude CHRONYCKE van Hollandt, West Vrie­slandt, Zeelandt, ende Wtrecht. Gesuyvert van veele, doch niet van alle, Fabulen. (Overzien, verbeterd, met aantekeningen en toevoegingen) door Petrus Scriverius t'Amsterdam, By Broer Jansz. 1635.
Blz. 2. (versozijde van de titelpagina):

Sonnet “Over d'instellinge van d'eerste Graef Diederick”, onderte­kend: “P.S. Anno 1612”, beginnend: “Als Vrieslandt en het rijck der oude Batavieren”. Dit gedicht is met een kleine variant opgeno­men in de Gedichten (1738), blz. 123, waarin het is overgenomen uit: “Goudhoevens Chronyk”. In de tweede uitga­ve van de niet meer door W. van Gouthoeven zelf bezorgde zogenaamde “Divisiekroniek” onder de titel: D'oude Chro­nijcke ende historien van Holland ..., 's-Gravenhage By Hille­brant van Wouw, 1636, is het sonnet echter op blz. 226 opgeno­men met dezelfde tekst als op het onderha­vige stuk.

Blz. 3.

Het begin van de tekst heeft als titel “Historie der Graven van Hollant”, enz. “Door P. Scriverivs”.



Zie over dit stuk het in bijlage I (I.20) toege­voegde overdruk van het eerste artikel uit de Scriveriana-reeks van de hand van P. Tuynman, met name blz. 104-112, en de afbeeldingen op blz. 107-110.
14.8 Foliodiploma.

Alleen de eerste bladzijde is beschreven met een 24-regelig en een 4-regelig Nederlands gedicht in de hand van Petrus Scriverius en vermoe­delijk ook van zijn hand, beide niet van elders bekend.


1) “Bedenckinge Of Leyden ontset, of beset is opten 3en Octo­bris.”

Incipit: “De Duijvel, of zijn moer (dat is, om ront te spreec­ken,”

Het is een venijnig gedicht tegen de nieuwe (contra-remonstrantse) dwang die op dat moment in Leiden wordt uitgeoefend. De op de Spanjaarden herwonnen vrijheid, die elk jaar groots gevierd wordt op drie oktober, wordt weer beknot. In 1619 komt Scriverius in conflict met het stadsbestuur van Leiden. (Zie hierover onder andere T.S.J.G. Bögels, Govert Basson: printer, bookseller, publisher: Leiden 1612-1630, Nieuwkoop 1992.)

2) “WEL-HEM die binnen quam, [tot?] trots, en spijt van Spangien”

Hierin wordt onder andere het tijdens het beleg uitgegeven “Papiere gelt” toegesproken: “Segt (...) Wat nu de Burgerij in plaats van Vrijheijt quelt?”.

Over dit stuk is een publicatie in voorbereiding in de Quarendo-reeks.



15 Aantekeningen met betrekking tot de geschiedenis der Hollandse graven ten behoeve van Scriverius’ onderzoek
15.1 1 diploma.

Incipit: “Wi Willem Grave”.

Een afschrift in onbekende hand op blz. 1 en 2, van een oor­konde uit 1321 van Graaf Willem (= Willem III, graaf van 1304 tot 1337) betreffende Jan van Polanen.
Dit stuk betreft zonder twijfel een voor Scriverius ten behoeve van zijn geschiedkundig onderzoek gemaakt afschrift van een origineel charter. Scriverius telt onder de eersten die zoveel mogelijk gebruik maakten van historisch betrouwbare bronnen. In het archief van de leen- en registerkamer van Holland op het Nationaal Archief te Den Haag bevindt zich een naar het opschrift ‘Recueil van verscheijde oude privilegien en actens’, een bundel van afschriften van dergelijke stukken, charters, meest in de hand van Scriverius, ook in andere handen die vaak voorzien zijn van zijn aantekeningen (inv.nr. 239 “Stukken betreffende Holland, 968-1520, verzameld door Petrus Scriverius, z.j. [voorheen inv.nr. 420A]”), met onder andere op f. 136-138 stukken aangaande de moord op graaf Floris V, die ons onbekend waren ten tijde van het schrijven van Scriveriana I (zie bijlage I, stuk 20). In de veilingcatalogus van Scriverius’ manuscripten wordt onder nr. 82 een dergelijke bundel vermeld: “Boecken ende Registeren gevonden in de Reken-kamer van Hollant”.
15.2 Katern van 2 diplomata.

Beschreven is blz. 1 tot en met 3, niet in Scriverius' hand, maar wel voorzien van aantekeningen van hem.

Opschrift: “Deductie vande oorsake ende gelegentheijt vande ques­tien doen het lant is gedeelt geweest aende Hoecxse, ende Cabelli­ause partijen”.

Incipit: “Vuijt de publijcke acten ende Registers werdt beuon­den”.


Dit stuk is afgedrukt als “Toe-gift” achter de Toets-steen in Scrive­rius' posthuum in 1663 uitgegeven editie van Het oude Goutsche chronycxken, echter met een ander opschrift en zonder de correcties en toevoegingen in Scriverius' hand. Inliggend drie fotokopieën uit dit boek. Het stuk lijkt naar de inhoud toch wel door Scriverius zelf opgesteld.
15.3 1 diploma, alle zijden beschreven in Scriverius' hand.

Met op blz. 1 tot 2 een kopie van een oorkonde van 14 april 1420, beginnende: “Wij Scout Scepen ende Raede der stede van Aemstelreda­me”, door Scriverius op 5 mei 1634 overgeschreven van de kopie ervan door Jan van Heymbeke, secretaris van Brussel, gemaakt op 6 maart 1632.

Hetzelfde geldt voor de kopie op blz. 3 en 4 van een oorkonde uit 1416 beginnend: “Wij Borgmeisteren Scepene ende Raide der stad van Aernhem”.
15.4 Katern van 3 diplomata. Beschreven zijn negen blz., maar niet in Scriverius' hand.

Kopie van een officiële brief gericht aan “Don Fernande Alua­res de Toledo Hertoghe van Alue en Stadthouder, Gouuerneur ende Cappiteyn general”, uit Brussel 26 februari 1571 (met een postscriptum), geschreven door een rege­rings­vertegenwoordiger betreffende een maatregel om de weerstand te verminderen tegen de inning van de 10de penning, namelijk betere voorlichting over de beperkingen en uitzonderingen en voorstellen daartoe. Achterop het stuk (in vieren gevouwen de buitenkant) staat (na vermoedelijk een weesgegroet-tekentje): “Spes mea Jesus / Vanden thienden pen­ning”.

15.5 1 diploma.

Met op blz. 1 tot 3 een afschrift, niet in Scriveri­us' hand.

Kopie van een resolutie van de Staten van Holland van 9 maart 1589, waarin het verbod op rooms-katholieke geschriften (waar­onder “liedekens, refereijnen”, enz.) en uiterlijke godsdien­stigheden van 20 december 1581 wordt herhaald.

Incipit: “De Ridderschap, eedelen ende steden van Hollant”, enz.

Op de achterzijde, in vieren gevouwen de buitenkant, het opschrift: “Placcaet / Inhoudende verbot van te drucken ofte te shrijven eenighe seditieuse boucken gheschriften ofte refereijnen (...) het doen der missen ende andere pauselicke superstitien het openbaer ghe­bruijck vande gheseijde gheestelijcke habijten, als opt stellen vande schoolmeesteren”.
15.6 3 Losse op elkaar aansluitende katernen van respectievelijk 3, 2 en 2 diplomata, eindigend met de custode: “ter tijt” (er is dus een vervolg geweest) in de hand van Scriverius, met als titel: “CHRONICA der (...) HEEREN ende BAROENEN van EGMONDT; Alles opt cort beschreven uijt die oude boecken inde Abdye tot Egmont, deur Heer ANTONI (VANDER HOEF) Broeder inde Abdije voorss. ende daer nae ghemaeckt ABT TOT ECHTERNAEK”.
Dit is ongetwijfeld een kopie uit een manuscript, zoals boven de titel door Scriverius werd genoteerd: “D'Historie ende Afkom­ste vande Graven van Egmond, met de pen geschreven”. Op blz. 4 de opdracht d.d. 15 januari 1599 aan L’amoraal, Prince van Gavere, Grave van Egmont (overleden in 1617), van een zekere Henricus Jacobi van Holst, van het door hem gecopiëerde (en bijgewerkte) hand­schrift.

Scriverius bezat meer handschriften betreffende de graven van Egmond. In de veilingcatalogus van Scriverius’ manuscripten wordt onder nr. 96 het “Chronicon Egmondense curiosissime scriptum” vermeld. Dit is de veertiende eeuwse bewerking van de anonieme in het jaar 1204 eindigende Egmondse kroniek met “viele unvergleichliche Noten dazu geschriben (door Scriverius)” dat Zacharias Conrad von Uffenbach in zijn “Merkwürdige Reisen durch Niedersachsen, Holland und Engelland” (1753/1754) op blz. 325 en 326 beschrijft, en die hem in 1711 door Cornelis van Alkemade (1654-1734) werd getoond. Zie over dit handschrift, het “Chronicon Egmondanum”, de bewerking van de Egmondse kloosterannalen en een voortzetting daarvan, dat door Scriverius werd uitgegeven, en hetwelk tegenwoordig bewaard wordt in de Staatsbibliotheek te Berlijn (cod. Phillipp. 1891), de dissertatie van Langereis, 165-167, en ook onze Scriveriana I, noot 26 op bladzijde 86.


1   2   3   4   5   6   7   8   9   10


Verilənlər bazası müəlliflik hüququ ilə müdafiə olunur ©kagiz.org 2016
rəhbərliyinə müraciət