Ana səhifə

Aanvraaginstructie


Yüklə 0.74 Mb.
səhifə3/10
tarix11.06.2016
ölçüsü0.74 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

7 Aantekeningen over de geslachten den Hartogh en Sasbout
7.1 Ongedateerd gevouwen diploma met aantekeningen over enerzijds het ge­slacht den Hartoch en anderzijds het geslacht Sasbout.

Inlig­gend een transcriptie van Jan Willem Pieter (XII-D).


Op het stuk komen geen jaartallen voor. Alleen bij 'Annigie Dirkx' staat 'ongetrout gestorve' en 'doot'. Waar­schijnlijk werd dit stuk naar aanleiding van haar overlij­den en in ver­band met haar erfenis opgesteld. Annetje Dircks­dr. van Rodenburgh (= Hartoch) overleed 17 februari 1651 te Leiden. Zie: H.A. Boeke, 'Twee con­terfeyt­sels, ge­maeckt door Lucas van Leyden', in: Uit Leidse bron geleverd; studies over Leiden en de Leidenaren in het verleden aangebo­den aan drs. B.N. Lever­land bij zijn afscheid als adj.-archi­varis van het Leidse Gemeente-archief, G.A. Leiden 1989, 228-232. Uit dit artikel blijkt dat zij in een testament uit 1636 Anna van der Aer als erfgenaam had benoemd en Anna’s echtgenoot Petrus Scriverius als execu­teur testamentair (maar in haar latere testament van 25 maart 1644 wordt Scriverius niet genoemd, en in beide testa­menten wel dr. Gerrit van Hoog­eveen, haar neef). Het feit dat onder de erfgenamen (via de broer en zusters van haar vader Dirck Claeszn. den Hartogh alias Gel) tweemaal iemand van de fami­lie Sasbout voorkomt, kan verkla­ren dat op de keerzijde de familie Sasbout en hun onderlinge verwantschap uit de doeken wordt gedaan.

In de opgave staan overigens enkele fouten. De echtgenote van Maria van Everdingen is niet Johannes de Wildt, maar Stephanus. En Annigie Dirkx zelf is geen kleindochter van Haesie Corne­lis, maar van de eerste echtgenote van de goudsmid Claes Aelbrechtsz. den Hartoch, namelijk Annetje Hendricksdr. (Boe­ke, blz. 229).


Bijgevoegd in bijlage I:

I.16 Genealogie van der Aar (Roscam Abbing/Tuynman).

I.17 Fotokopie van het artikel: L.W. Nichols, 'Jan Govertsz. van der Aar: on the identification of Goltzius's patron', Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 38 (1987), 241-255.

I.18 Fotokopie uit S. Slive, Frans Hals, München 1989, cat.nr. 20 (portret van Anna van der Aar), 183-189.

I.19 H.A. Boeke, 'Twee con­terfeyt­sels, ge­maeckt door Lucas van Leyden', Uit Leidse bron geleverd; studies over Leiden en de Leidenaren in het verleden aangebo­den aan drs. B.N. Lever­land bij zijn afscheid als adj.-archi­varis van het Leidse Gemeente-archief, Leiden 1989, 228-232.

8 Oude omslagen van Scriverius-brieven
8.1 Ongedateerde oude omslag met opschrift in de hand van Samuel (X-A).
De in inv.nrs. 9 en 11 beschreven brieven bevonden zich in deze oude omslag, waarop Samuel (X-A) noteer­de: “Originele Brieven aan Petrus Scriverius van de Jaaren 1603 tot 1649. [en mogelijk in een andere hand:] waaronder van W: & H: Grotius, Hoger­beets en andere Geleerde mannen. Ook gemeenzame brieven over zeer onverschil­lige onderwer­pen, alleen om derzelver oudheid merk­waardig.”
Niet meer aanwezig in het Familiearchief Van Hoogstraten zijn de genoemde brieven van “H: Grotius” en “Hogerbeets”, wel is er een brief van W. Grotius (inv.nr. 9, brief 12). Hieruit blijkt dat er indertijd meer brieven tot de verzameling be­hoorden. Zeer waarschijnlijk is het Samuels schoonzoon, Jhr. Mr. H.J. Caan (1781-1864), geweest die enkele brieven heeft afgestaan of verkocht aan de autografenverzame­laar G.J. Beeldsnij­der van Voshol (1791-1853) en aan één of meer anderen. Bekend is dat Caan het archief Van Hoog­straten, waaron­der de Scriveria­na, in bezit had vanaf waarschijnlijk 1830, toen zijn schoonvader Samuel (X-A) overleed, tot ongeveer 1845, en dat het archief om­streeks het laatst genoemde jaar weer in handen van de Van Hoog­stratens kwam (zie de inleiding). De brief van “Hogerbeets” betreft vermoedelijk de brief van Adriaan Hogerbeets, rechtsgeleerde, op 20 juni 1628 vanuit Den Haag gestuurd aan Scriverius te Leiden (Koninklijke Biblio­theek te Den Haag, hs. 121 D2:61). De brief van Hugo de Groot betreft de op 2 juni 1630 uit Parijs verstuurde brief in de Koninklijke Bibliotheek (hs. 121 D 11). In de inleiding van de Inventaire van de correspondentie van Petrus Scriverius zal hier nader op worden ingegaan.
8.2 Tweede oude omslag, vermoedelijk de hand van Samuel (X-A), waarop geschreven staat: 'eenige Brieven aen den Heere Petrus Scriverius' en 'Gelegenheids Vaersen'.

9 Originele brieven aan Petrus Scriverius, alfabe­tisch op naam van de briefschrijver, en één kladbrief van Scrive­rius

Op vier na zijn alle in deze omslag aan Scriverius gerichte brieven van elders onbekend. Die vier betreffen de drie brieven van Ubbo Emmius en één van Arnoldus Buchelius. De drie van Emmius werden in 1749 opgeno­men in de bundel Scrinium antiquarium sive mis­cellanea Gro­ninga­na (...), Ed. D. Gerdes, deel 1, Groningen en Bremen 1749, 302-303 (brief IV-C), 303-304 (brief IV-D) en 307-308 (brief IV-I). Deze brieven zijn - omgere­kend naar nieuwe stijl - respectie­velijk geda­teerd: 26 mei 1614, 30 juni 1614 en 8 januari 1616. Het zijn de enige brieven van Emmius in het archief. Niet duide­lijk is of deze na 1749 wellicht aan het archief toege­voegd zijn. Ger­des, de samen­steller van de be­doelde bundel, schrijft dat de Am­ster­damse koop­man Jaco­bus Mar­cus (17020-1750) er de eigenaar van was. Van de brief van Buchelius (inv.nr. 9, brief 3) is in Utrecht een kopie bekend (UBU, hs. 836, f. 184r-185r).


Indien het adres buitenop een nadere aanduiding bevat, is die erbij vermeld.
9.1 Samuel Ampzing (1590-1632) te Haarlem aan Scriverius te Lei­den.

16 oktober 1630. Met adres buitenop (“op de nieuwen Rijn in het Turks hoofd”).

Incipit: “Tis seker een geruyme tyd gele­den” (op blz. 7 van twee aaneengenaaide diplomata), met de brief in bijlage meegezonden uit het Frans vertaalde passages op blz. 2-5 uit Gabriel Naudé, Additions à l'his­toire de Lou­is XI (Parijs 1630).
Op blz. 1 van het stuk heeft Scriverius onder het opschrift “De pretiis librorum” enkele citaten genoteerd uit brieven van Donatus Acciaiolus, Jacobus Cardinalis Papiensis en Johannes Antonius Campanus.

Over deze brief is een publicatie in voorbereiding in de Quaerendo-reeks 'Scriveri­a­na' van de hand van M. Roscam Abbing en P. Tuynman.


9.2 Arend van Buchell (Arnoldus Buchellius 1565-1641) te Utrecht aan Scriverius te Leiden.

1 februari 1610. 1 februari oude stijl is 11 februari nieuwe stijl. Met adres buitenop.

Incipit: “Librum et literas Doctissime”.
Zie over deze brief: J. Pollmann, Een andere weg naar God, De reformatie van Arnoldus Buchelius (1565-1641), Amsterdam 2000, 158-159.
9.3 Arend van Buchell (Arnoldus Buchellius 1565-1641) te Utrecht aan Scriverius te Leiden.

7 september 1610 (oude stijl; is 17 september nieuwe stijl). Met adres buitenop.

Incipit: “Non possum satis admirari”.
9.4 Arend van Buchell (Arnoldus Buchellius 1565-1641) te Utrecht aan Scriverius te Leiden.

27 mei [1616], hoogstwaarschijnlijk oude stijl, dus 6 juni nieuwe stijl. Met adres buitenop (“int Soldaens (= sultans = Turks) hooft”).

Incipit: “differre diutius literas”.
Het jaar kan afgeleid worden uit de brief, gedateerd 27 juli 1616, oude stijl, in de KB (signatuur 78 C 69) die over de­zelfde kwestie met betrekking tot Adam van Vianen handelt.
9.5 Arend van Buchell (Arnoldus Buchellius 1565-1641) (te Utrecht) aan Scriverius te Amsterdam.

1 mei 1635 (hoogstwaarschijnlijk ook nog oude stijl, dus 11 mei nieuwe stijl). Met adres buitenop (“ten huyse van Sr. Henrick (sic! i.p.v. Johan = Jan) (So)op Cap.t vande borgerie tot Amsterdam / int glaeshuys”).

Incipit: “Mijn heer Scryueri, Jck hebbe voor”.
Zie over deze brief het artikel van P. Tuynman in Quaerendo (27/2, 1997), 111. Een overdruk is toegevoegd aan Bijlage I, stuk 20.
9.6 Lambert van der Burch (1542-1617) te Utrecht aan “de jongeling” Scriverius te Leiden.

30 juni 1603 (indien dit oude stijl is, dan is het 10 juli in de nieuwe stijl). Met adres buitenop.

Incipit: “Literas tuas xo calendas Iulias fratri meo mihique” (Uw brief van 22 juni [indien dit oude stijl is, is het in de nieuwe stijl 2 juli] aan mijn broer en mij [dit moet zijn Adriaan van der Burch, overleden in 1606 te Utrecht]).
9.7 Assuerus Croen (geboren omstreeks 1595) te Groningen aan Scriverius te Leiden.

6 november 1616. Met adres buitenop.

Incipit: “Redijt nunc nuper Voetius”.
De Groningse (Frisius Groningensis) student Assuerus Croen had zich op 14 maart 1615 in de letterenfaculteit aan de Universi­teit van Groningen ingeschreven. Op 6 juni 1616 schrijft hij zich in aan de Leidse Universiteit en geeft dan als leeftijd 20 jaar op (zie de Alba Studiosorum van Groningen en Leiden). Diedericus Voetius (Dirck Voet) uit Heusden, oudere broer van de bekende theoloog Gijsbert Voet, is waarschijnlijk de Voet aan wie Croen refereert in zijn brief. Croen stuurde Scriveri­us, die hij zeker die zomer te Leiden had leren kennen, samen met de brief een of meerdere nu niet meer aanwezige (Latijnse) gedichten ter beoordeling.
9.8 Ubbo Emmius (1547-1625) te Groningen aan Scriverius (te Lei­den).

16 mei 1614 (oude stijl, is 26 mei nieuwe stijl).

Met adres buitenop.

Incipit: “non libens interpello studia”.


Deze brief staat afgedrukt in: H. Brugmans (ed.), Briefwechsel des Ubbo Emmius, Band II (1608 tot 1625), Den Haag 1923, nr. 392 (blz. 183, 184), naar D. Gerdes' Scrinium antiquarium I, 1749, 302-303.
9.9 Ubbo Emmius (1547-1625) te Groningen aan Scriverius (te Lei­den).

20 juni 1614 (oude stijl, is 30 juni nieuwe stijl).

Met adres buitenop.

Incipit: “de fortuna sua doctissimus”.


Deze brief staat afgedrukt in: H. Brugmans (ed.), Briefwechsel des Ubbo Emmius, Band II (1608 tot 1625), Den Haag 1923, nr. 394, naar Gerdes' Scrinium antiquarium I, 303.
9.10 Ubbo Emmius (1547-1625) te Groningen aan Scriverius (te Lei­den).

29 december 1615 (oude stijl, is 8 januari 1616 nieuwe stijl).

Met adres buitenop.

Incipit: “nec ualetudo nec tempus”.


Deze brief staat afgedrukt in: H. Brugmans (ed.), Briefwechsel des Ubbo Emmius, Band II (1608 tot 1625), Den Haag 1923, nr. 408, naar Gerdes' Scrinium antiquarium I, 307.
9.11 Jacob van den Eynde(n) (geboren te Delft, overleden in 1629) te Voorburg aan Scriverius te Leiden.

16 Kal. April (= 17 maart) 1611. Met adres buitenop.

Incipit: “Vt respondeam amicis et”.
De briefschrijver is de vader van de gelijknamige Neolatijnse dichter Jacobus Eyndius (1575-1614), die in 1609 Heer van Haamstede op Schouwen werd. Deze zoon had in 1611 zijn Poëmata het licht doen zien, waarvan de uitgave, zo vermeldt de vader in zijn brief, door Scriverius bevorderd was. Eyndius sr. beantwoordt hier een eerste briefje van Scriverius en nodigt hem uit een vriendschappelijk bezoek te brengen aan zijn woning in Woerden.
9.12 Willem de Groot (Guilielmus Grotius 1597-1662) te Den Haag aan Scriverius te Leiden. 3 augustus 1630. Met adres buitenop (“opden Rhijn”).

Incipit: “Misit nuper, Vir Maxime, frater has ad te cum libro litteras”


Deze brief zal aangeduid zijn op de oude omslag (inv.nr. 8, stuk 1). Over deze brief is een publicatie in voorbereiding in de Quaerendo-reeks 'Scriveri­a­na' van de hand van M. Roscam Abbing en P. Tuynman. Bijgevoegd is een fotokopie uit de Briefwisseling van Hugo Grotius (brief nr. 1511) van de brief die Willem de Groot bij deze gelegenheid, samen met het boek van Gabriel Naudé, doorzond.
9.13 Jacobus Gruterus (overleden in 1607), (te Middelburg) aan Scriveri­us te Leiden. 15(?) juli 1602. Met adres buitenop, voluit: “Cl. V. Petro Scriuerio / woonende op t steenschuijr / bijde nieuw brugge over / de Lootgieter tot / Leiden”.

Incipit: “Placebat viduae rescriptum tuum”.


Over de correspondentie met Gruter is een publicatie in voor­berei­ding in de Quaerendo-reeks 'Scriveriana'.
9.14 Johannes Lydius (1577-1643) vanuit onbekende plaats aan Scri­verius te Leiden.

Zonder datum, in elk geval na 1607 en vóór (of in) 1615, waar­schijnlijk kort voor 1615. Met adres buitenop, “met 2 boec­ken”.

Incipit: “Quanti ego te, omnesque”.

Onze transcriptie met aantekening is toegevoegd.


9.15 Jacob van Mijerop (overleden 1654) te Den Haag aan Scri­verius te Leiden.

10 november 1628. Met adres buitenop.

Incipit: “Volgende uwe Edelheijts begeerte”.

Onze transcriptie is bijgevoegd in de omslag.


Zie over de brieven van Van Mijerop de in bijlage I toege­voegde overdruk uit Quaerendo (27/2, 1997), 89-94 (inv.nr. 37, stuk 20), en het proefschrift van S. Langereis, Geschie­denis als ambacht, Hilversum 2001.
9.16 Jacob van Mijerop (overleden 1654) te Den Haag aan Scri­verius te Leiden.

17 november 1628. Met adres buitenop (“Petrus Scriuerius Histo­rischrijuer vande heeren Staten van hollandt, ende West­vrieslant”).

Incipit: “De weduwe van Hillebrand Jacobsn van Wouw”.

Onze transcriptie is bijgevoegd in de omslag. Zie ook bij brief 15.


9.17 Jacob van Mijerop (overleden 1654) te Den Haag aan Scri­verius te Leiden.

1 december 1628. Met adres buitenop, (“Petrus Scriuerius histo­ri­schrijuer vande [...] Staten van Hollant, ende Westvrieslant”). “met een pacxken”

Incipit: “Ick hebbe gewacht”.

Onze transcriptie van de brief is bijgevoegd in de omslag. Zie ook bij brief 15.


Met deze brief werden twee inlagen gezonden:

Op blz. 1 van een diploma een afschrift van een oorkonde uit 1355 van Hertog Willem van Beieren, graaf van Holland etc., betreffende ene “Jan die scriue­re”.

Op blz. 1 van een tweede diploma een afschrift van een oorkon­de van dezelfde hertog, eveneens uit 1355, betreffen­de ene “Jacob den Scrivere”.
9.18 Petrus Scriverius te Leiden aan N.N. (= Jacob van Meijerop te Den Haag).

17 december 1628.

Incipit: “Den uwen van den 1en Decembris met het paxken”
Het vel is niet gevouwen geweest en dus misschien niet verzon­den; toch moet er een vrijwel gelijkluidende brief van die datum zijn uitgegaan die de volgende dag door de geadres­seerde wordt beantwoord. Zie ook bij brief 15.
9.19 Jacob van Mijerop (overleden 1654) te Den Haag aan Scri­verius te Leiden.

18 december 1628. Met adres buitenop (“Petrus Scriuerius histo­ri­schrijuer vande [...] Staten van Hollant, ende Westvrieslant”).

Incipit: “uwe E. missiue vanden xvijen deser”.

Onze transcriptie van de brief is bijgevoegd in de omslag. Zie ook bij brief 15.


Bij deze brief bevindt zich een in tweeën gevouwen stuk pa­pier, waarop Scriverius aantekeningen heeft gemaakt. Op blz. 1 betref­fende ene Rolandus de Scrivere, Cornelius Scribonius en diens zoon Alexander, en op blz. 2 aantekeningen, mede op grond van deze brief van Van Mijerop gemaakt, betreffende Jan, Jacob en andere “de Scriveres”. Op blz. 3 tenslotte nog een aantekening betreffen­de ene “G. Scrijvers” uit 1565.
9.20 Jacob van Meijerop (overleden 1654) te Den Haag aan Scriverius te Leiden.

6 januari 1629. Met adres buitenop (“Petrus Scriuerius histo­ri­schrijuer vande [...] Staten van Hollant, ende Westvrieslant”).

Incipit: “Ick hebbe van desen”.

Onze transcriptie is bijgevoegd in de omslag. Zie ook bij brief 15.


9.21 Jacob van Meijerop (overleden 1654) te Den Haag aan Scriverius te Leiden.

10 mei 1629. Met adres buitenop (“Petrus Scriuerius histo­ri­schrijuer vande [...] Staten van Hollant, ende Westvrieslant”).

Incipit: “Jouffrouwe van Wou”.

Onze transcriptie is bijgevoegd in de omslag. Zie ook bij brief 15.


9.22 Adriaen Pauw (1585-1653), zonder plaats, aan Scriverius “tegenwoordich” te Haarlem.

Zonder datum. Met adres buitenop.

Incipit: “Ick hebbe aen uwer E. Broeder”.

Onze transcriptie is bijgevoegd in de omslag.


9.23 Adriaen Rooman (1590-1649) (te Haar­lem) aan Scriverius te Amster­dam.

23 april 1630. Met adres buitenop.

Incipit: “Jck verstoute my D. Scriveri”.
Over deze brief is een publicatie in voorbereiding in de Quaerendo-reeks 'Scriveri­a­na' van de hand van M. Roscam Abbing en P. Tuynman.
9.24 Paulus Terhaar (ca. 1632-na 1664) te Napels aan Petrus Scrive­rius te Leiden. 25 augustus 1654. Met adres buitenop (“opden Rhijn in het Turxhooft”).

Incipit: “Juvenem aliquando cognovisti”


Over deze brief is een publicatie in voorbereiding in de Quae­rendo-reeks 'Scriveri­a­na' van de hand van P. Tuynman en M. Roscam Abbing.
Bijgevoegd in bijlage I:

I.20 Overdruk van: Pierre Tuynman, with the assistance of Michiel Roscam Abbing, 'Two histo­ry books that never appeared. Scrive­rius, Melis Stoke, the Widow van Wouw and Gouthoeven. Scrive­riana I', Quae­rendo, a quarter­ly jour­nal from the low coun­tries devoted to manu­scripts and printed books, 27/2 (1997), 77-112.



10 Brieven in het bezit van Scriverius
10.1 Joannes Hemelarius (of: Hemelaers) (ca.1570-1655) uit Antwer­pen aan Janus Dousa pater (1545-1604) te Noordwijk.

8 september 1590. Met adres buitenop.

Incipit: “Significauit mihi D. Rumoldus à Medemblick”.
In de marge een notitie in de hand van Scriverius. De brief hande­lt over een bundel handschriftelijke brieven van Justus Lipsius die was meegezonden.
10.2 Kopie in de hand van Scriverius, gemaakt als specimen van de brieven van Franciscus Junius de oude (1545-1602), aan Johan van Oldenbarneveld (1547-1619).

13 februari 1595.

Incipit: “Interest publici et rei”.
10.3 Valerius (= Wouter) Barthouts aan N.N. (= Paullus Merula

G.F.P.N.­, 1558-1607).

Dordrecht 28 januari 1606.

Incipit: “Litterae tuae, Cognate plurimum”.


Deze originele en later afgeknipte brief zonder adres is ongetwij­feld gericht aan Paullus Merula, die in 1604 een boek had gepubli­ceerd over de broer van zijn grootvader van vaders­zijde, de uit Den Briel afkomstige hervormer en martelaar Angelus Merula (1482-1557), met daarin onder andere een genea­logie van de familie Merula. De moeder van de hoogleraar Paullus Merula was Jacoba Heer­mans uit Dordrecht, waarschijn­lijk verwant met de Brielse familie Heerman. Paullus' vader Willem was secretaris van Dordrecht. De letters G.F.P.N. staan voor Guilielmi Filio Pauli Nepoti, zie ook inv.nr. 14, stuk 1.

De briefschrijver, Wouter Barthouts, behoort ongetwijfeld tot de Dordtse familie Barthouts, en noemt de geadresseerde “cog­natus” (= verwant). Hij heeft in januari een brief ontvangen met stamboom van o.a. het geslacht Oem (geparenteerd aan de Barthouts), en Heerman, die hij hierbij retourneert.

De brief handelt verder over genealogische kwesties betreffen­de vele Brielse en Dordtse families, waaronder de Hallincgs (verwant aan de moeder van de briefschrijver). Jacoba Heermans wordt ook nog genoemd, evenals een “cognatus” Johannes (van) Slingeland. Vermeld wordt het voornemen van de geadresseerde een “Fasti Dordra­censes” te schrijven. Inderdaad figureert dit onder de nagela­ten ge­schriften van Merula (J. Meursius, Athe­nae Batavae, 1625, 161 en M. Balen, Beschryvinge der stad Dordrecht, Dordrecht 1677, 209). Voorts is er nog sprake van de “Vita Erasmi”, die Paullus Merula later, in 1607, heeft uitgegeven, en waarvan Scriverius in 1615 een ver­meerderde herdruk bezorgde. Paullus Merula wordt genoemd als geadresseerde in een 17de-eeuws toe­voegsel in een andere hand onderaan de brief.

11 Brieven van familie, voornamelijk gericht aan Scri­verius, alfabetisch op naam van de briefschrij­ver
Van een aantal van deze brieven zijn door Jan Willem Pieter (XII-D) in of na 1938 transcripties gemaakt. Deze zijn alle gecontroleerd en waar nodig gecorrigeerd in onze trans­crip­ties die bij de betreffende brieven zijn ge­voegd. Van alle brieven in inv.nr. 11 en 12 zullen transcripties met een toelichting worden opgenomen in de voorgenomen uitgave van de registratie van Scriverius’ correspondentie.

11.1 Coenraet van Beuningen (1622-1693) te Amsterdam aan Scriverius te Leiden.

20 november 1648. Met adres buitenop.

Incipit: “T'heeft god den heer”.

Onze transcriptie is bijgevoegd. Zie ook hierboven bij de inleiding van inv.nr. 11.
11.2 Dirck Geurtszn (van Beuningen) (1588-1648) te Amsterdam aan Scriveri­us te Leiden.

28 maart 1640. Met adres buitenop (“op den ryn”).

Incipit: “Also de saeck sulxs wtgevallen”.

Inliggend een transcriptie van Jan Willem Pieter (XII-D).

Onze transcriptie is bijgevoegd. Zie ook hierboven bij de inleiding van inv.nr. 11.
11.3 Johan van Heemskerck (ca. 1597-1656) te Amsterdam aan Scrive­rius te Leiden.

18 augustus 1640. Met adres buitenop (“opden Rijn”).

Incipit: “Gisteren met mijn huijsvrouwe”.

Inliggend een transcriptie van Jan Willem Pieter (XII-D).

Onze transcriptie is bijgevoegd. Zie ook hierboven bij de inleiding van inv.nr. 11.
11.4 Johan van Heemskerck (ca. 1597-1656) huize Woelwijk te Voor­schoten aan Scriverius.

5 mei 1641, achtergelaten op Scriverius' buitenplaats Woel­wijk.

Incipit: “Opgeleijde last heeft”.

Inliggend een transcriptie van Jan Willem Pieter (XII-D).

Onze transcriptie is bijgevoegd. Zie ook hierboven bij de inleiding van inv.nr. 11.
11.5 Daniel Mostart (1590/91-1646) te Amsterdam aan Scriverius te Leiden.

9 december 1635. Met adres buitenop.

Incipit: “Alzoo het den Almaghtigen”.

Onze transcriptie is bijgevoegd. Zie ook hierboven bij de inleiding van inv.nr. 11.


11.6 Barthoud vander Nijenburch (1539-1625) te Haarlem aan Scriveri­us te Leiden.

14 oktober 1614. Met adres buitenop (“op den Nieuwen Rijn int Turcx­hooft”).

Incipit: “Eersaeme beminde Cousyn, mijn schrijuens”.

Inliggend een transcriptie van Jan Willem Pieter (XII-D).

Onze transcriptie is bijgevoegd. Zie ook hierboven bij de inleiding van inv.nr. 11.
11.7 Johannes Polyander à Kerckhoven (of: Vander Kerckhoven geseyt Plyander), Heer van Heenvliet (1594-1660) te Den Haag aan Scriverius te Leiden.

7 juni 1637. Met adres buitenop (“Scriuerius historischrijuer ende Registermeester vande Chartren en pampieren der houtvesterie etc. Tot Leijden”).

Incipit: “Juffrou vander Straeten is”.

Onze transcriptie is bijgevoegd. Zie ook hierboven bij de inleiding van inv.nr. 11.


11.8 Hendrick Pietersz. Schrijver (1550-1626) te Amsterdam aan zijn zoon Scriverius te Leiden.

30 oktober 1614. Met adres buitenop (“jnt Turcx hooft op den rijn”).

Incipit: “Eersamen Pieter Schrijuer nae gro(e)tenis dient”.

Inliggend een transcriptie van Jan Willem Pieter (XII-D).

Onze transcriptie is bijgevoegd. Zie ook hierboven bij de inleiding van inv.nr. 11.
11.9 Hendrik Schrijver (1610-1665) (uit Oudewater) aan zijn ouders te Leiden.

22 juli 1653. Met adres aan Petrus Scriverius (“op den rijn bij de brouw(ers?) v...en Os”).

Incipit: “Mijne blijtschap hebbe ick”.

Onze transcriptie is bijgevoegd. Zie ook hierboven bij de inleiding van inv.nr. 11.


Zie voor deze brief ook ons artikel in de Nederlandsche Leeuw, juli-augustus 2002, 335. Zie de kopie van dat artikel in inv.nr. 37, stuk 44. Op de brief van Dirck van Wydenesse geseijt Baens aan Scrive­rius van 22 februari 1635 ter Koninklijke Bibliotheek te Den Haag (hs. 78 C 69), staat: “(...) wonende op den Rhijn bij de brouwerij vant hartshoofft tot Leiden”. Scriverius’ huis aan de nieuwe Rijn is het Turcxhooft.
11.10 Willem Schrijver (1607-1661) te Haarlem aan zijn vader Scrive­rius te Leiden.

3 december zonder jaar (waarschijnlijk 1628 of 1634). Met adres buitenop (“op den nieuwen Rhijn int turxhooft”).

Incipit: “Voor leden donderdach ben ick”.

Inliggend een transcriptie van Jan Willem Pieter (XII-D).

Onze transcriptie is bijgevoegd. Zie ook hierboven bij de inleiding van inv.nr. 11.
11.11 Willem Schrijver (1607-1661) te Amsterdam aan zijn moeder Anna van der Aar (1576-1656) te Leiden.

21 maart 1646. Met adres buitenop (“op den nieuwen Rijn int Turx­hooft”).

Incipit: “Naer wensinge alles goets”.

Onze transcriptie is bijgevoegd. Zie ook hierboven bij de inleiding van inv.nr. 11.


11.12 Willem Schrijver (1607-1661) te Amsterdam aan zijn vader Scriverius te Leiden.

15 februari 1648. Met adres buitenop (“op den nieuwen Rhijn int turexhooft”).

Incipit: “Naer hartvruntlycke groetnisse”.

Inliggend een transcriptie van Jan Willem Pieter (XII-D).

Onze transcriptie is bijgevoegd. Zie ook hierboven bij de inleiding van inv.nr. 11.

1   2   3   4   5   6   7   8   9   10


Verilənlər bazası müəlliflik hüququ ilə müdafiə olunur ©kagiz.org 2016
rəhbərliyinə müraciət